BWBR0036629
Geldig vanaf 2015-12-01
Artikel 4
Regeling lokaal spoor
1. Om te voldoen aan artikel 32, tweede lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, van de wet, beschikt een spoorvoertuig bestemd voor het vervoer van personen in ieder geval over de volgende eigenschappen:
a. de maatvoering is zodanig dat aan de eisen van het kinematisch omgrenzingsprofiel wordt voldaan;
b. de wielen, assen, veren en dempers zijn zo op elkaar en op het spoor afgestemd dat een veilig en ongestoord gebruik van de lokale spoorweg gewaarborgd is;
c. het is wat betreft de brandveiligheid ontworpen volgens de stand van de techniek die geldt ten tijde van het verlenen van de opdracht tot bouw van het spoorvoertuig;
d. het is zo uitgevoerd dat personen: 1°. tijdens het rijden niet uit het spoorvoertuig kunnen leunen of vallen;
2°. kunnen voorkomen dat zij in het spoorvoertuig ten val komen;
3°. indien met het spoorvoertuig gebruik wordt gemaakt van een lokale spoorweg die samenloopt met een voor het openbaar verkeer openstaande weg, niet meer dan een minimale kans hebben om onder het spoorvoertuig en onder de wielen te komen;
1°. tijdens het rijden niet uit het spoorvoertuig kunnen leunen of vallen;
2°. kunnen voorkomen dat zij in het spoorvoertuig ten val komen;
3°. indien met het spoorvoertuig gebruik wordt gemaakt van een lokale spoorweg die samenloopt met een voor het openbaar verkeer openstaande weg, niet meer dan een minimale kans hebben om onder het spoorvoertuig en onder de wielen te komen;
e. het is voorzien van: 1°. een noodremvoorziening die door de reizigers te bedienen is en die door de bestuurder buiten werking gesteld kan worden;
2°. aan de voorzijde, achterzijde en iedere zijkant het wagennummer;
3°. een voorziening om het spoorvoertuig automatisch tot stilstand te brengen als er geen activiteit van de bestuurder meer wordt waargenomen;
4°. ten minste twee onafhankelijk van elkaar werkende remsystemen, waarvan er ten minste een ook bij het wegvallen van de tractie of externe energievoorziening het spoorvoertuig tot stilstand kan brengen;
5°. een toestel voor het afgeven van geluidssignalen;
6°. ten minste twee wit stralende lichten aan de voorzijde;
7°. ten minste twee rood stralende lichten aan de achterzijde;
8°. indien met het spoorvoertuig gebruik gaat worden gemaakt van een lokale spoorweg die samenloopt met een voor het openbaar verkeer openstaande weg, twee rode of ambergele remlichten aan de achterzijde, twee witte of ambergele richtingaanwijzers aan de voorzijde, twee rode of ambergele richtingaanwijzers aan de achterzijde en ten minste een ambergele of rode richtingaanwijzer aan iedere zijkant.
1°. een noodremvoorziening die door de reizigers te bedienen is en die door de bestuurder buiten werking gesteld kan worden;
2°. aan de voorzijde, achterzijde en iedere zijkant het wagennummer;
3°. een voorziening om het spoorvoertuig automatisch tot stilstand te brengen als er geen activiteit van de bestuurder meer wordt waargenomen;
4°. ten minste twee onafhankelijk van elkaar werkende remsystemen, waarvan er ten minste een ook bij het wegvallen van de tractie of externe energievoorziening het spoorvoertuig tot stilstand kan brengen;
5°. een toestel voor het afgeven van geluidssignalen;
6°. ten minste twee wit stralende lichten aan de voorzijde;
7°. ten minste twee rood stralende lichten aan de achterzijde;
8°. indien met het spoorvoertuig gebruik gaat worden gemaakt van een lokale spoorweg die samenloopt met een voor het openbaar verkeer openstaande weg, twee rode of ambergele remlichten aan de achterzijde, twee witte of ambergele richtingaanwijzers aan de voorzijde, twee rode of ambergele richtingaanwijzers aan de achterzijde en ten minste een ambergele of rode richtingaanwijzer aan iedere zijkant.
2. Spoorvoertuigen zonder eigen tractie die worden getrokken hoeven niet te voldoen aan het eerste lid, onderdeel e, aanhef en onder 3˚, 5˚ en 6˚.
a. de maatvoering is zodanig dat aan de eisen van het kinematisch omgrenzingsprofiel wordt voldaan;
b. de wielen, assen, veren en dempers zijn zo op elkaar en op het spoor afgestemd dat een veilig en ongestoord gebruik van de lokale spoorweg gewaarborgd is;
c. het is wat betreft de brandveiligheid ontworpen volgens de stand van de techniek die geldt ten tijde van het verlenen van de opdracht tot bouw van het spoorvoertuig;
d. het is zo uitgevoerd dat personen: 1°. tijdens het rijden niet uit het spoorvoertuig kunnen leunen of vallen;
2°. kunnen voorkomen dat zij in het spoorvoertuig ten val komen;
3°. indien met het spoorvoertuig gebruik wordt gemaakt van een lokale spoorweg die samenloopt met een voor het openbaar verkeer openstaande weg, niet meer dan een minimale kans hebben om onder het spoorvoertuig en onder de wielen te komen;
1°. tijdens het rijden niet uit het spoorvoertuig kunnen leunen of vallen;
2°. kunnen voorkomen dat zij in het spoorvoertuig ten val komen;
3°. indien met het spoorvoertuig gebruik wordt gemaakt van een lokale spoorweg die samenloopt met een voor het openbaar verkeer openstaande weg, niet meer dan een minimale kans hebben om onder het spoorvoertuig en onder de wielen te komen;
e. het is voorzien van: 1°. een noodremvoorziening die door de reizigers te bedienen is en die door de bestuurder buiten werking gesteld kan worden;
2°. aan de voorzijde, achterzijde en iedere zijkant het wagennummer;
3°. een voorziening om het spoorvoertuig automatisch tot stilstand te brengen als er geen activiteit van de bestuurder meer wordt waargenomen;
4°. ten minste twee onafhankelijk van elkaar werkende remsystemen, waarvan er ten minste een ook bij het wegvallen van de tractie of externe energievoorziening het spoorvoertuig tot stilstand kan brengen;
5°. een toestel voor het afgeven van geluidssignalen;
6°. ten minste twee wit stralende lichten aan de voorzijde;
7°. ten minste twee rood stralende lichten aan de achterzijde;
8°. indien met het spoorvoertuig gebruik gaat worden gemaakt van een lokale spoorweg die samenloopt met een voor het openbaar verkeer openstaande weg, twee rode of ambergele remlichten aan de achterzijde, twee witte of ambergele richtingaanwijzers aan de voorzijde, twee rode of ambergele richtingaanwijzers aan de achterzijde en ten minste een ambergele of rode richtingaanwijzer aan iedere zijkant.
1°. een noodremvoorziening die door de reizigers te bedienen is en die door de bestuurder buiten werking gesteld kan worden;
2°. aan de voorzijde, achterzijde en iedere zijkant het wagennummer;
3°. een voorziening om het spoorvoertuig automatisch tot stilstand te brengen als er geen activiteit van de bestuurder meer wordt waargenomen;
4°. ten minste twee onafhankelijk van elkaar werkende remsystemen, waarvan er ten minste een ook bij het wegvallen van de tractie of externe energievoorziening het spoorvoertuig tot stilstand kan brengen;
5°. een toestel voor het afgeven van geluidssignalen;
6°. ten minste twee wit stralende lichten aan de voorzijde;
7°. ten minste twee rood stralende lichten aan de achterzijde;
8°. indien met het spoorvoertuig gebruik gaat worden gemaakt van een lokale spoorweg die samenloopt met een voor het openbaar verkeer openstaande weg, twee rode of ambergele remlichten aan de achterzijde, twee witte of ambergele richtingaanwijzers aan de voorzijde, twee rode of ambergele richtingaanwijzers aan de achterzijde en ten minste een ambergele of rode richtingaanwijzer aan iedere zijkant.
2. Spoorvoertuigen zonder eigen tractie die worden getrokken hoeven niet te voldoen aan het eerste lid, onderdeel e, aanhef en onder 3˚, 5˚ en 6˚.