BWBR0036629
Geldig vanaf 2015-12-01
Artikel 2
Regeling lokaal spoor
1. Een risicoanalyse als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de wet, bestaat uit een kwantitatieve risicoanalyse en een scenarioanalyse. Door gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur wordt aan de toezichthouder meegedeeld welke methodieken voor de kwantitatieve analyse en de scenarioanalyse toegepast worden.
2. De aspecten die in ieder geval bij de risicoanalyse betrokken worden, zijn:
a. het ontwerp van de tunnel, inclusief de daarin gelegen stations en nooduitgangen;
b. de aan te leggen lokale spoorweginfrastructuur in de tunnel;
c. de aan te leggen energievoorziening in de tunnel;
d. de wijze waarop het gebruik van de lokale spoorweg in de tunnel zal worden beheerst en beveiligd;
e. of er sprake zal zijn van uitsluitend personenvervoer of personenvervoer samen met goederenvervoer;
f. het ontwerp van de spoorvoertuigen die gebruik zullen maken van de lokale spoorweginfrastructuur in de tunnel;
g. het maximaal aantal spoorvoertuigen dat zich gelijktijdig in de tunnel kan bevinden;
h. indien er sprake is van goederenvervoer, de aard van de te vervoeren goederen;
i. het aantal reizigers dat zich maximaal in een spoorvoertuig zal bevinden;
j. het aantal reizigerskilometers en, indien er sprake is van goederenvervoer, het aantal tonkilometers dat jaarlijks in de tunnel zal worden afgelegd;
k. de gebruiksvoorschriften, inclusief calamiteitenplannen van de aan te leggen tunnel;
l. de onderhoudsvoorschriften van de tunnel, van de lokale spoorweginfrastructuur in de tunnel en van de spoorvoertuigen die gebruik zullen maken van de lokale spoorweginfrastructuur in de tunnel; en
m. de opleidingen en vaardigheden van het personeel dat dienst zal doen in de tunnel.
3. De risiconorm, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de wet, is voor het groepsrisico gelijk aan de kans van optreden van 0,03/N 2per kilometer traject gelegen in tunnels per jaar, waarbij N de groepsgrootte in personen is.
2. De aspecten die in ieder geval bij de risicoanalyse betrokken worden, zijn:
a. het ontwerp van de tunnel, inclusief de daarin gelegen stations en nooduitgangen;
b. de aan te leggen lokale spoorweginfrastructuur in de tunnel;
c. de aan te leggen energievoorziening in de tunnel;
d. de wijze waarop het gebruik van de lokale spoorweg in de tunnel zal worden beheerst en beveiligd;
e. of er sprake zal zijn van uitsluitend personenvervoer of personenvervoer samen met goederenvervoer;
f. het ontwerp van de spoorvoertuigen die gebruik zullen maken van de lokale spoorweginfrastructuur in de tunnel;
g. het maximaal aantal spoorvoertuigen dat zich gelijktijdig in de tunnel kan bevinden;
h. indien er sprake is van goederenvervoer, de aard van de te vervoeren goederen;
i. het aantal reizigers dat zich maximaal in een spoorvoertuig zal bevinden;
j. het aantal reizigerskilometers en, indien er sprake is van goederenvervoer, het aantal tonkilometers dat jaarlijks in de tunnel zal worden afgelegd;
k. de gebruiksvoorschriften, inclusief calamiteitenplannen van de aan te leggen tunnel;
l. de onderhoudsvoorschriften van de tunnel, van de lokale spoorweginfrastructuur in de tunnel en van de spoorvoertuigen die gebruik zullen maken van de lokale spoorweginfrastructuur in de tunnel; en
m. de opleidingen en vaardigheden van het personeel dat dienst zal doen in de tunnel.
3. De risiconorm, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de wet, is voor het groepsrisico gelijk aan de kans van optreden van 0,03/N 2per kilometer traject gelegen in tunnels per jaar, waarbij N de groepsgrootte in personen is.