BWBR0035800
Geldig vanaf 2014-11-26
Artikel 16
Subsidieregeling EFMB 2015–2023
1. De subsidieontvanger verstrekt ieder kalenderjaar uiterlijk op 1 april een tussentijdse declaratie met daarbij een voortgangsverslag met betrekking tot de gemaakte kosten en de, overeenkomstig het operationeel programma, behaalde resultaten. De tussentijdse declaratie bevat een verantwoording van de kosten onder gelijktijdige verstrekking van de administratie van de deelnemers aan het project, als bedoeld in artikel 17, tweede lid.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister besluiten tot het opvragen van een extra tussentijdse declaratie dan wel het laten vervallen van een tussentijdse declaratie.
3. De tussentijdse declaratie wordt ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de Minister beschikbaar gesteld formulier, voorzien van de vereiste bijlagen.
4. De Minister betaalt binnen negentig dagen nadat een tussentijdse declaratie is ontvangen, de op dat moment bekende verschuldigde subsidie.
5. De betaling van het bedrag, genoemd in het vierde lid, kan worden opgeschort indien:
a. de Minister een verzoek tot aanvulling van ontbrekende gegevens heeft gedaan;
b. een onregelmatigheid in het verzoek tot vaststelling van de subsidie is geconstateerd;
c. de door de Europese Commissie tussentijds uitgekeerde bedragen niet toereikend zijn.
6. De einddeclaratie, bedoeld in artikel 20, bevat de som van alle tussentijdse declaraties en het resterend eindbedrag. De verantwoording van de kosten, bedoeld in artikel 20, tweede lid, heeft betrekking op het resterend eindbedrag opgenomen in de einddeclaratie.
7. Indien er omstandigheden optreden, die de voortgang, inhoud of de administratieve organisatie van het project substantieel wijzigen of die anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op subsidie, doet de begunstigde hiervan onverwijld mededeling aan de Minister. Tevens kan de Minister inzicht vragen in de stand van zaken van concrete activiteiten.
8. De begunstigde doet onverwijld en schriftelijk melding aan de Minister zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
9. De begunstigde verleent aan door de Minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen instanties medewerking aan het opstellen van evaluatierapporten met betrekking tot deze regeling, en draagt, indien het gesubsidieerde project niet in eigen beheer wordt uitgevoerd, er zorg voor dat de feitelijke uitvoerder van het project deze medewerking verleent.
2. In afwijking van het eerste lid kan de Minister besluiten tot het opvragen van een extra tussentijdse declaratie dan wel het laten vervallen van een tussentijdse declaratie.
3. De tussentijdse declaratie wordt ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de Minister beschikbaar gesteld formulier, voorzien van de vereiste bijlagen.
4. De Minister betaalt binnen negentig dagen nadat een tussentijdse declaratie is ontvangen, de op dat moment bekende verschuldigde subsidie.
5. De betaling van het bedrag, genoemd in het vierde lid, kan worden opgeschort indien:
a. de Minister een verzoek tot aanvulling van ontbrekende gegevens heeft gedaan;
b. een onregelmatigheid in het verzoek tot vaststelling van de subsidie is geconstateerd;
c. de door de Europese Commissie tussentijds uitgekeerde bedragen niet toereikend zijn.
6. De einddeclaratie, bedoeld in artikel 20, bevat de som van alle tussentijdse declaraties en het resterend eindbedrag. De verantwoording van de kosten, bedoeld in artikel 20, tweede lid, heeft betrekking op het resterend eindbedrag opgenomen in de einddeclaratie.
7. Indien er omstandigheden optreden, die de voortgang, inhoud of de administratieve organisatie van het project substantieel wijzigen of die anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op subsidie, doet de begunstigde hiervan onverwijld mededeling aan de Minister. Tevens kan de Minister inzicht vragen in de stand van zaken van concrete activiteiten.
8. De begunstigde doet onverwijld en schriftelijk melding aan de Minister zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
9. De begunstigde verleent aan door de Minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen instanties medewerking aan het opstellen van evaluatierapporten met betrekking tot deze regeling, en draagt, indien het gesubsidieerde project niet in eigen beheer wordt uitgevoerd, er zorg voor dat de feitelijke uitvoerder van het project deze medewerking verleent.