BWBR0035313
Geldig vanaf 2014-07-12
Artikel 15
Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs 2014
1. De minister stemt in met een voornemen voor een nevenvestiging in de nieuwe gemeente indien het instellingsbestuur heeft aangetoond dat
a. een behoefte bestaat aan de opleiding, zijnde • overwegend een arbeidsmarktbehoefte;
• overwegend een maatschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte; of
• overwegend een wetenschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte; en dat
• overwegend een arbeidsmarktbehoefte;
• overwegend een maatschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte; of
• overwegend een wetenschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte; en dat
b. in het landelijk onderwijsaanbod ruimte is voor de opleiding.
2. De artikelen 8 tot en met 10zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Artikel 11, lid 1 en lid 3, is op de beoordelingswijze van overeenkomstige toepassing.
4. Artikel 11, lid 2, is van overeenkomstige toepassing waarbij rekening wordt gehouden met hetgeen in de prestatieafspraak met de instelling staat over herschikking van het onderwijsaanbod van de instelling.
5. Indien het voornemen een joint degree betreft, is artikel 12van overeenkomstige toepassing.
6. Indien het voornemen een hbo-masteropleiding betreft, is artikel 13van overeenkomstige toepassing.
7. In afwijking van het eerste tot en met het zesde lid, stemt de minister in met een voornemen als bedoeld in artikel 14, derde lid, nadat het instellingsbestuur dit voornemen bij de CDHO schriftelijk per post en elektronisch heeft gemeld.
a. een behoefte bestaat aan de opleiding, zijnde • overwegend een arbeidsmarktbehoefte;
• overwegend een maatschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte; of
• overwegend een wetenschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte; en dat
• overwegend een arbeidsmarktbehoefte;
• overwegend een maatschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte; of
• overwegend een wetenschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte; en dat
b. in het landelijk onderwijsaanbod ruimte is voor de opleiding.
2. De artikelen 8 tot en met 10zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Artikel 11, lid 1 en lid 3, is op de beoordelingswijze van overeenkomstige toepassing.
4. Artikel 11, lid 2, is van overeenkomstige toepassing waarbij rekening wordt gehouden met hetgeen in de prestatieafspraak met de instelling staat over herschikking van het onderwijsaanbod van de instelling.
5. Indien het voornemen een joint degree betreft, is artikel 12van overeenkomstige toepassing.
6. Indien het voornemen een hbo-masteropleiding betreft, is artikel 13van overeenkomstige toepassing.
7. In afwijking van het eerste tot en met het zesde lid, stemt de minister in met een voornemen als bedoeld in artikel 14, derde lid, nadat het instellingsbestuur dit voornemen bij de CDHO schriftelijk per post en elektronisch heeft gemeld.