BWBR0035313
Geldig vanaf 2014-07-12
Artikel 11
Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs 2014
1. Bij de beoordeling van de ruimte voor de opleiding binnen het bestaande onderwijsaanbod betrekt de minister de volgende basiselementen:
a. het aantal bestaande, vergelijkbare, bekostigde opleidingen bij andere instellingen en de gemeenten waar deze worden verzorgd;
b. de aanwezigheid van vergelijkbaar geaccrediteerd onderwijs dat de student bij een rechtspersoon voor hoger onderwijs onder vergelijkbare condities kan volgen;
c. de studenteninstroom in de opleidingen, bedoeld onder a en b, en een schatting met realistische onderbouwing van de studenteninstroom in de nieuwe opleiding;
d. kwantitatieve gegevens over de arbeidsmarktvraag naar afgestudeerden van het bestaande en het nieuwe opleidingenaanbod;
e. in geval van een voornemen voor het verzorgen van een opleiding op een openbaar lichaam BES: tevens het bestaande hoger onderwijsaanbod voor de gehele regio, zijnde de BES, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten.
2. Bij de beoordeling van de ruimte voor de nieuwe opleiding binnen het bestaande onderwijsaanbod betrekt de minister in zijn afweging de vraag of de opleiding past bij de zwaartepunten in het onderwijs- of onderzoeksaanbod van de instelling. Indien de nieuwe opleiding past bij een zwaartepunt in het onderwijs- of onderzoeksaanbod van de instelling wordt aangenomen dat is voldaan aan artikel 6, onder c, tenzij naar het oordeel van de minister al ruimschoots voldoende vergelijkbare opleidingen worden aangeboden om in de behoefte te voorzien.
3. Naast de basiselementen betrekt de minister bij de beoordeling tevens de volgende elementen:
a. voor zover aanwezig, door de onderwijssector zelf opgestelde en door de rijksoverheid erkende sectorplannen, erkende sectorale of regionale afspraken of door de CDHO uitgevoerde sectoranalyses;
b. de zienswijzen die verzorgers van het onderwijs als bedoeld in het eerste lid onder a en b bij de minister hebben ingediend;
c. de spreiding van opleidingen in relatie tot de vestigingsplaats of vestigingsplaatsen van de nieuwe opleiding;
d. het bestaan van een beperkte onderwijscapaciteit als bedoeld in artikel 7.53 van de wet bij vergelijkbare opleidingen en de onderwijscapaciteit van de nieuwe opleiding;
e. de onderwijsvorm, bedoeld in artikel 7.7 van de wet, waarin de opleiding wordt aangeboden; en
f. de aanwezige kennisinfrastructuur op de vestigingslocatie van de opleiding.
a. het aantal bestaande, vergelijkbare, bekostigde opleidingen bij andere instellingen en de gemeenten waar deze worden verzorgd;
b. de aanwezigheid van vergelijkbaar geaccrediteerd onderwijs dat de student bij een rechtspersoon voor hoger onderwijs onder vergelijkbare condities kan volgen;
c. de studenteninstroom in de opleidingen, bedoeld onder a en b, en een schatting met realistische onderbouwing van de studenteninstroom in de nieuwe opleiding;
d. kwantitatieve gegevens over de arbeidsmarktvraag naar afgestudeerden van het bestaande en het nieuwe opleidingenaanbod;
e. in geval van een voornemen voor het verzorgen van een opleiding op een openbaar lichaam BES: tevens het bestaande hoger onderwijsaanbod voor de gehele regio, zijnde de BES, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten.
2. Bij de beoordeling van de ruimte voor de nieuwe opleiding binnen het bestaande onderwijsaanbod betrekt de minister in zijn afweging de vraag of de opleiding past bij de zwaartepunten in het onderwijs- of onderzoeksaanbod van de instelling. Indien de nieuwe opleiding past bij een zwaartepunt in het onderwijs- of onderzoeksaanbod van de instelling wordt aangenomen dat is voldaan aan artikel 6, onder c, tenzij naar het oordeel van de minister al ruimschoots voldoende vergelijkbare opleidingen worden aangeboden om in de behoefte te voorzien.
3. Naast de basiselementen betrekt de minister bij de beoordeling tevens de volgende elementen:
a. voor zover aanwezig, door de onderwijssector zelf opgestelde en door de rijksoverheid erkende sectorplannen, erkende sectorale of regionale afspraken of door de CDHO uitgevoerde sectoranalyses;
b. de zienswijzen die verzorgers van het onderwijs als bedoeld in het eerste lid onder a en b bij de minister hebben ingediend;
c. de spreiding van opleidingen in relatie tot de vestigingsplaats of vestigingsplaatsen van de nieuwe opleiding;
d. het bestaan van een beperkte onderwijscapaciteit als bedoeld in artikel 7.53 van de wet bij vergelijkbare opleidingen en de onderwijscapaciteit van de nieuwe opleiding;
e. de onderwijsvorm, bedoeld in artikel 7.7 van de wet, waarin de opleiding wordt aangeboden; en
f. de aanwezige kennisinfrastructuur op de vestigingslocatie van de opleiding.