BWBR0035271
Geldig vanaf 2014-07-03
Artikel 3
Onderlinge regeling Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland ex artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (samenwerking op het gebied van de overdracht van personen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen op grond van een veroordeling tot een vrijheidsstraf)
1. Het verzoekschrift wordt door aanvrager ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en de adresgegevens van de inrichting waar verzoeker verblijft;
b. de dagtekening;
c. de aanduiding van het onherroepelijke vonnis of arrest, waarbij verzoeker is veroordeeld;
d. de in artikel 2, eerste lid, bedoelde overwegingen op grond waarvan de overdracht wordt aangezocht;
e. het land waar tenuitvoerlegging wordt aangezocht;
f. documentatie waaruit blijkt dat verzoeker zijn hoofdverblijf heeft in het aangezochte land.
2. Het verzoekschrift wordt afgewezen indien:
a. het verzoekschrift kennelijk ongegrond is;
b. het verzoekschrift niet aan de in artikel 3, eerste lid, genoemde vereisten voldoet;
c. het vonnis nog niet onherroepelijk is;
d. de resterende detentietijd minder dan zes maanden bedraagt op het moment van het indienen van het verzoekschrift;
e. het door verzoeker aangevoerde resocialisatiebelang in redelijkheid niet gediend kan zijn bij de aangezochte overdracht van de tenuitvoerlegging;
f. strafvorderlijke belangen zich tegen overdracht verzetten;
g. gronden ontleend aan het algemeen belang overdracht niet toelaten;
h. voor zover Nederland het aangezochte land is; indien verzoeker niet kan aantonen dat voor een periode van drie jaar of langer sprake is geweest van een hoofdverblijf in Nederland.
3. Het verzoek wordt tevens afgewezen indien verzoeker in de 365 dagen voorafgaand aan het verzoek reeds eerder een verzoek tot overdracht heeft ingediend.
a. de naam en de adresgegevens van de inrichting waar verzoeker verblijft;
b. de dagtekening;
c. de aanduiding van het onherroepelijke vonnis of arrest, waarbij verzoeker is veroordeeld;
d. de in artikel 2, eerste lid, bedoelde overwegingen op grond waarvan de overdracht wordt aangezocht;
e. het land waar tenuitvoerlegging wordt aangezocht;
f. documentatie waaruit blijkt dat verzoeker zijn hoofdverblijf heeft in het aangezochte land.
2. Het verzoekschrift wordt afgewezen indien:
a. het verzoekschrift kennelijk ongegrond is;
b. het verzoekschrift niet aan de in artikel 3, eerste lid, genoemde vereisten voldoet;
c. het vonnis nog niet onherroepelijk is;
d. de resterende detentietijd minder dan zes maanden bedraagt op het moment van het indienen van het verzoekschrift;
e. het door verzoeker aangevoerde resocialisatiebelang in redelijkheid niet gediend kan zijn bij de aangezochte overdracht van de tenuitvoerlegging;
f. strafvorderlijke belangen zich tegen overdracht verzetten;
g. gronden ontleend aan het algemeen belang overdracht niet toelaten;
h. voor zover Nederland het aangezochte land is; indien verzoeker niet kan aantonen dat voor een periode van drie jaar of langer sprake is geweest van een hoofdverblijf in Nederland.
3. Het verzoek wordt tevens afgewezen indien verzoeker in de 365 dagen voorafgaand aan het verzoek reeds eerder een verzoek tot overdracht heeft ingediend.