BWBR0035270
Geldig vanaf 2014-07-03
Artikel 4
Onderlinge regeling Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland ex artikel 38, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (samenwerking op het gebied van de onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit op medische gronden of in verband met dringende redenen van veiligheid)
1. De gedetineerde keert zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen een termijn van zes maanden vanaf het tijdstip van tijdelijke onderbrenging, terug naar het land waarin het bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven of de vrijheidsstraf is opgelegd.
2. Zodra de noodzaak tot onderbrenging in een ander land komt te ontvallen, stelt het openbaar ministerie van het verzoekende land, door de tussenkomst van de procureur-generaal, het openbaar ministerie van het land waarin de gedetineerde is ondergebracht hiervan op de hoogte.
3. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien de dringende redenen van veiligheid en/of de aanwezigheid van medische complicaties van de gedetineerde daartoe nopen. In dat geval kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, telkens met zes maanden worden verlengd.
4. Bij toepassing van het derde lid richt het openbaar ministerie van het verzoekende land anderhalve maand voor het verlopen van de termijn, bedoeld in het derde lid, een schriftelijk verzoek tot verlenging aan de Minister van Justitie van het aangezochte land door tussenkomst van de procureur-generaal of een daartoe aangewezen dienst. Het aangezochte land neemt binnen de termijn van 14 dagen na ontvangst van het schriftelijk verzoek een beslissing over de verlenging en stelt binnen deze termijn het verzoekende land op de hoogte van de inhoud van deze beslissing.
2. Zodra de noodzaak tot onderbrenging in een ander land komt te ontvallen, stelt het openbaar ministerie van het verzoekende land, door de tussenkomst van de procureur-generaal, het openbaar ministerie van het land waarin de gedetineerde is ondergebracht hiervan op de hoogte.
3. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien de dringende redenen van veiligheid en/of de aanwezigheid van medische complicaties van de gedetineerde daartoe nopen. In dat geval kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, telkens met zes maanden worden verlengd.
4. Bij toepassing van het derde lid richt het openbaar ministerie van het verzoekende land anderhalve maand voor het verlopen van de termijn, bedoeld in het derde lid, een schriftelijk verzoek tot verlenging aan de Minister van Justitie van het aangezochte land door tussenkomst van de procureur-generaal of een daartoe aangewezen dienst. Het aangezochte land neemt binnen de termijn van 14 dagen na ontvangst van het schriftelijk verzoek een beslissing over de verlenging en stelt binnen deze termijn het verzoekende land op de hoogte van de inhoud van deze beslissing.