BWBR0035270
Geldig vanaf 2014-07-03
Artikel 2
Onderlinge regeling Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland ex artikel 38, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (samenwerking op het gebied van de onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit op medische gronden of in verband met dringende redenen van veiligheid)
1. Deze regeling is uitsluitend van toepassing in de gevallen waarin:
a. De aanwezigheid van medische complicaties het noodzakelijk maakt dat een gedetineerde tijdelijk wordt overgebracht naar een ander land dan het land waarin het bevel tot voorlopige hechtenis van die gedetineerde is gegeven of de vrijheidsstraf ten aanzien van die gedetineerde is opgelegd;
b. Dringende redenen van veiligheid een verder verblijf in detentie op Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, St. Eustatius en Saba onverantwoord doen zijn.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid onder a of b, geschiedt overbrenging naar het Europese deel van Nederland uitsluitend indien de onderlinge regeling op het gebied van de onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit niet kan worden toegepast.
3. Het verzoekende land vergoedt de kosten die voortvloeien uit de toepassing van deze regeling aan het aangezochte land.
4. Het verzoekende land en het aangezochte land verlenen elkaar tevens alle medewerking om de uitoefening van de wettelijke verantwoordelijkheden jegens de gedetineerde te kunnen verzekeren. Met het oog daarop worden schriftelijke afspraken gemaakt over tussentijdse berichtgeving betreffende het gedrag en de toestand van de gedetineerde.
a. De aanwezigheid van medische complicaties het noodzakelijk maakt dat een gedetineerde tijdelijk wordt overgebracht naar een ander land dan het land waarin het bevel tot voorlopige hechtenis van die gedetineerde is gegeven of de vrijheidsstraf ten aanzien van die gedetineerde is opgelegd;
b. Dringende redenen van veiligheid een verder verblijf in detentie op Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, St. Eustatius en Saba onverantwoord doen zijn.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid onder a of b, geschiedt overbrenging naar het Europese deel van Nederland uitsluitend indien de onderlinge regeling op het gebied van de onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit niet kan worden toegepast.
3. Het verzoekende land vergoedt de kosten die voortvloeien uit de toepassing van deze regeling aan het aangezochte land.
4. Het verzoekende land en het aangezochte land verlenen elkaar tevens alle medewerking om de uitoefening van de wettelijke verantwoordelijkheden jegens de gedetineerde te kunnen verzekeren. Met het oog daarop worden schriftelijke afspraken gemaakt over tussentijdse berichtgeving betreffende het gedrag en de toestand van de gedetineerde.