BWBR0035059
Geldig vanaf 2022-04-06
Artikel 4.8
Regeling aanmelding en toelating hoger onderwijs
1. Het aantal bewijzen van toelating is gelijk aan het aantal beschikbare plaatsen voor een opleiding of traject.
2. Als het aantal beschikbare plaatsen kleiner is dan het aantal aspirant-studenten dat een rangummmer heeft ontvangen, wordt een bewijs van toelating uitgereikt aan de aspirant-studenten met de laagste rangummmers.
3. De instelling reikt enkel aan de aspirant-student van wie is aangetoond dat hij of zij aan de aanvullende eisen als bedoeld in artikel 7.26 van de wetheeft voldaan een rangummmer of een bewijs van toelating uit.
4. De instelling bericht via Studielink op 15 april de aspirant-student over de uitkomst van de selectie voor de opleiding of opleidingen waaraan hij heeft deelgenomen en reikt daarbij tevens een rangummmer of een bewijs van toelating uit.
5. De aspirant-student accepteert een bewijs van toelating binnen twee weken na ontvangst op de daartoe voorgeschreven wijze. Een bewijs van toelating dat niet binnen twee weken is geaccepteerd, vervalt.
6. Een aspirant-student kan op enig moment niet meer dan een bewijs van toelating op geaccepteerd hebben staan.
7. In afwijking van het vierde lid verstrekt het instellingsbestuur een bewijs van toelating als het vaststelt dat er sprake is van onbillijkheid van overwegende aard als geen bewijs van toelating wordt verstrekt.
8. Als een aspirant-student een bewijs van toelating niet tijdig accepteert, reikt de instelling een bewijs van toelating uit aan de aspirant-student met het laagste rangummmer, die nog geen bewijs van toelating heeft ontvangen.
9. Het instellingsbestuur stelt een uiterste datum vast waarna geen bewijzen van toelating worden uitgereikt, met dien verstande dat deze datum niet voor 1 augustus ligt.
10. Voor de uiterste datum, bedoeld in het negende lid, dienen alle bewijzen van toelating uitgereikt te zijn.
2. Als het aantal beschikbare plaatsen kleiner is dan het aantal aspirant-studenten dat een rangummmer heeft ontvangen, wordt een bewijs van toelating uitgereikt aan de aspirant-studenten met de laagste rangummmers.
3. De instelling reikt enkel aan de aspirant-student van wie is aangetoond dat hij of zij aan de aanvullende eisen als bedoeld in artikel 7.26 van de wetheeft voldaan een rangummmer of een bewijs van toelating uit.
4. De instelling bericht via Studielink op 15 april de aspirant-student over de uitkomst van de selectie voor de opleiding of opleidingen waaraan hij heeft deelgenomen en reikt daarbij tevens een rangummmer of een bewijs van toelating uit.
5. De aspirant-student accepteert een bewijs van toelating binnen twee weken na ontvangst op de daartoe voorgeschreven wijze. Een bewijs van toelating dat niet binnen twee weken is geaccepteerd, vervalt.
6. Een aspirant-student kan op enig moment niet meer dan een bewijs van toelating op geaccepteerd hebben staan.
7. In afwijking van het vierde lid verstrekt het instellingsbestuur een bewijs van toelating als het vaststelt dat er sprake is van onbillijkheid van overwegende aard als geen bewijs van toelating wordt verstrekt.
8. Als een aspirant-student een bewijs van toelating niet tijdig accepteert, reikt de instelling een bewijs van toelating uit aan de aspirant-student met het laagste rangummmer, die nog geen bewijs van toelating heeft ontvangen.
9. Het instellingsbestuur stelt een uiterste datum vast waarna geen bewijzen van toelating worden uitgereikt, met dien verstande dat deze datum niet voor 1 augustus ligt.
10. Voor de uiterste datum, bedoeld in het negende lid, dienen alle bewijzen van toelating uitgereikt te zijn.