BWBR0034271
Geldig vanaf 2014-01-01
Artikel 8
Besluit vergoedingen Kernenergiewet
1. Het bedrag dat jaarlijks verschuldigd is voor de periode vanaf het moment waarop een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wetin bedrijf is gegaan tot het moment waarop de vergunningen op grond van artikel 15, onderdeel b, zijn ingetrokken bedraagt:
a. € 668.932 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 842.700,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 36.708 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 47.700,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
c. € 236.348 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 302.100,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
d. € 178.204 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 222.600,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a, b en c genoemd.
2. Het bedrag dat verschuldigd is voor de beoordeling van het document waarin de houder van een vergunning op grond van artikel 15, onder b, van de wetten minste eens in de tien jaar aan de Autoriteit verslag doet inzake de nucleaire veiligheid van de onder zijn beheer zijnde kerninstallatie bedraagt:
a. € 600.944 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 763.200,– indien het een beoordeling betreft van een verslag ten behoeve van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 320.344 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 397.500,– indien het een beoordeling betreft van een verslag ten behoeve van een inrichting met een capaciteit van ten minste 10 megawatt waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 185.472 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 238.500,– indien het een beoordeling betreft van een verslag betreft ten behoeve van een andere inrichting dan in onderdelen a en b genoemd.
a. € 668.932 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 842.700,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 36.708 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 47.700,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
c. € 236.348 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 302.100,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
d. € 178.204 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 222.600,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a, b en c genoemd.
2. Het bedrag dat verschuldigd is voor de beoordeling van het document waarin de houder van een vergunning op grond van artikel 15, onder b, van de wetten minste eens in de tien jaar aan de Autoriteit verslag doet inzake de nucleaire veiligheid van de onder zijn beheer zijnde kerninstallatie bedraagt:
a. € 600.944 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 763.200,– indien het een beoordeling betreft van een verslag ten behoeve van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 320.344 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 397.500,– indien het een beoordeling betreft van een verslag ten behoeve van een inrichting met een capaciteit van ten minste 10 megawatt waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 185.472 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 238.500,– indien het een beoordeling betreft van een verslag betreft ten behoeve van een andere inrichting dan in onderdelen a en b genoemd.