BWBR0034271
Geldig vanaf 01-01-2026
Artikel 4
Besluit vergoedingen Kernenergiewet
1. Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor de oprichting van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:
a. € 755.280 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 972.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 377.640 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 486.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 251.760 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 324.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
2. Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning voor de oprichting van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:
a. € 3.776.400 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 4.860.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 1.888.200 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 2.430.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 1.007.040 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 1.296.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
a. € 755.280 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 972.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 377.640 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 486.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 251.760 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 324.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
2. Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning voor de oprichting van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:
a. € 3.776.400 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 4.860.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
b. € 1.888.200 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 2.430.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
c. € 1.007.040 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 1.296.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0034271
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl