BWBR0034047
Geldig vanaf 2014-01-01
Artikel 10
Wet gebruik Friese taal
1. Hij die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een eed, belofte of bevestiging moet afleggen, is bevoegd in plaats van de wettelijk voorgeschreven woorden de daarmede in de Friese taal overeenkomende woorden uit te spreken.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, treden:
a. indien een eed wordt afgelegd, voor de woorden: «Zo waarlijk helpe mij God Almachtig» in de plaats de woorden: «Sa wier helpe my God Almachtich»;
b. indien een belofte wordt afgelegd, voor de woorden: «Dat beloof ik» in de plaats de woorden: «Dat ûnthjit ik»;
c. indien een bevestiging wordt afgelegd, voor de woorden: «Dat verklaar ik» in de plaats de woorden: «Dat ferklearje ik».
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, treden:
a. indien een eed wordt afgelegd, voor de woorden: «Zo waarlijk helpe mij God Almachtig» in de plaats de woorden: «Sa wier helpe my God Almachtich»;
b. indien een belofte wordt afgelegd, voor de woorden: «Dat beloof ik» in de plaats de woorden: «Dat ûnthjit ik»;
c. indien een bevestiging wordt afgelegd, voor de woorden: «Dat verklaar ik» in de plaats de woorden: «Dat ferklearje ik».