BWBR0033718
Geldig vanaf 2013-07-27
Artikel 8
Besluit experiment bindend studieadvies
1. Bij een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, en artikel 7, eerste en tweede lid, onderdelen a en b, worden de persoonlijke omstandigheden van de student in acht genomen.
2. De persoonlijke omstandigheden zijn:
a. ziekte van betrokkene;
b. lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis van betrokkene;
c. zwangerschap van betrokkene;
d. bijzondere familie-omstandigheden;
e. het lidmaatschap, daaronder begrepen het voorzitterschap, van: 1. bij universiteiten: de universiteitsraad, faculteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, onderscheidenlijk artikel 9.51, tweede lid, van de wet, het bestuur van een opleiding of de opleidingscommissie, alsmede het lidmaatschap van het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur gelet op de taak gelijk te stellen orgaan;
2. bij hogescholen: de medezeggenschapsraad, deelraad, studentencommissie of opleidingscommissie;
1. bij universiteiten: de universiteitsraad, faculteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, onderscheidenlijk artikel 9.51, tweede lid, van de wet, het bestuur van een opleiding of de opleidingscommissie, alsmede het lidmaatschap van het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur gelet op de taak gelijk te stellen orgaan;
2. bij hogescholen: de medezeggenschapsraad, deelraad, studentencommissie of opleidingscommissie;
f. andere in de regelingen, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 9, vijfde lid, van de wet door het instellingsbestuur aan te geven omstandigheden waarin betrokkene activiteiten ontplooit in het kader van de organisatie en het bestuur van de zaken van de instelling;
g. het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel van een vergelijkbare organisatie van enige omvang, bij wie de behartiging van het algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat en die daartoe daadwerkelijk activiteiten ontplooit. Het instellingsbestuur kan nadere regels vaststellen omtrent het aantal bestuursleden dat ten hoogste per organisatie per studiejaar in aanmerking komt, zomede omtrent welke bestuursfuncties in aanmerking komen;
h. overige door het instellingsbestuur vastgestelde omstandigheden; en
i. andere dan de in de onderdelen a tot en met h bedoelde omstandigheden die zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard indien zij niet bij het besluit van de instelling worden betrokken.
2. De persoonlijke omstandigheden zijn:
a. ziekte van betrokkene;
b. lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis van betrokkene;
c. zwangerschap van betrokkene;
d. bijzondere familie-omstandigheden;
e. het lidmaatschap, daaronder begrepen het voorzitterschap, van: 1. bij universiteiten: de universiteitsraad, faculteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, onderscheidenlijk artikel 9.51, tweede lid, van de wet, het bestuur van een opleiding of de opleidingscommissie, alsmede het lidmaatschap van het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur gelet op de taak gelijk te stellen orgaan;
2. bij hogescholen: de medezeggenschapsraad, deelraad, studentencommissie of opleidingscommissie;
1. bij universiteiten: de universiteitsraad, faculteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, onderscheidenlijk artikel 9.51, tweede lid, van de wet, het bestuur van een opleiding of de opleidingscommissie, alsmede het lidmaatschap van het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur gelet op de taak gelijk te stellen orgaan;
2. bij hogescholen: de medezeggenschapsraad, deelraad, studentencommissie of opleidingscommissie;
f. andere in de regelingen, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 9, vijfde lid, van de wet door het instellingsbestuur aan te geven omstandigheden waarin betrokkene activiteiten ontplooit in het kader van de organisatie en het bestuur van de zaken van de instelling;
g. het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel van een vergelijkbare organisatie van enige omvang, bij wie de behartiging van het algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat en die daartoe daadwerkelijk activiteiten ontplooit. Het instellingsbestuur kan nadere regels vaststellen omtrent het aantal bestuursleden dat ten hoogste per organisatie per studiejaar in aanmerking komt, zomede omtrent welke bestuursfuncties in aanmerking komen;
h. overige door het instellingsbestuur vastgestelde omstandigheden; en
i. andere dan de in de onderdelen a tot en met h bedoelde omstandigheden die zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard indien zij niet bij het besluit van de instelling worden betrokken.