BWBR0033718
Geldig vanaf 2013-07-27
Artikel 13
Besluit experiment bindend studieadvies
1. Onze Minister evalueert medio 2018 het experiment op basis van de resultaten van de experimentele BSA’s zoals opgenomen in de eindverslagen van de instellingen, die aan het experiment hebben deelgenomen.
2. Onze Minister evalueert het experiment aan de hand van de volgende criteria:
a. het aantal studenten dat de opleiding binnen de nominale studieduur afrondt, het aantal studenten dat is uitgevallen en geen andere opleiding is gestart en het aantal studenten dat een andere opleiding is gestart;
b. de mate waarin de doelmatigheid binnen de instelling is verbeterd;
c. de mate waarin de kwaliteit van het onderwijs is verbeterd;
d. de mate waarin het experimentele BSA van invloed is geweest op verbetering van de kwaliteit en de doelmatigheid.
3. De evaluatie heeft in ieder geval betrekking op de volgende aspecten:
a. de ervaringen die zijn opgedaan met de voorzieningen bedoeld in artikel 5, alsmede de effecten daarvan;
b. de ervaringen die zijn opgedaan met de bevoegdheden die de deelnemende instellingen hebben uitgeoefend overeenkomstig de artikelen 6 en 7 alsmede de effecten daarvan;
c. de opvattingen van docenten, het instellingsbestuur en studiebegeleiders en de opvattingen van studenten over de aspecten, genoemd onder a en b; en
d. de gedragseffecten op studenten als gevolg van het experiment.
4. Onze Minister kan zich in het kader van de evaluatie laten bijstaan door een van Onze Minister onafhankelijke deskundige.
2. Onze Minister evalueert het experiment aan de hand van de volgende criteria:
a. het aantal studenten dat de opleiding binnen de nominale studieduur afrondt, het aantal studenten dat is uitgevallen en geen andere opleiding is gestart en het aantal studenten dat een andere opleiding is gestart;
b. de mate waarin de doelmatigheid binnen de instelling is verbeterd;
c. de mate waarin de kwaliteit van het onderwijs is verbeterd;
d. de mate waarin het experimentele BSA van invloed is geweest op verbetering van de kwaliteit en de doelmatigheid.
3. De evaluatie heeft in ieder geval betrekking op de volgende aspecten:
a. de ervaringen die zijn opgedaan met de voorzieningen bedoeld in artikel 5, alsmede de effecten daarvan;
b. de ervaringen die zijn opgedaan met de bevoegdheden die de deelnemende instellingen hebben uitgeoefend overeenkomstig de artikelen 6 en 7 alsmede de effecten daarvan;
c. de opvattingen van docenten, het instellingsbestuur en studiebegeleiders en de opvattingen van studenten over de aspecten, genoemd onder a en b; en
d. de gedragseffecten op studenten als gevolg van het experiment.
4. Onze Minister kan zich in het kader van de evaluatie laten bijstaan door een van Onze Minister onafhankelijke deskundige.