BWBR0032975
Geldig vanaf 2014-04-24
Artikel 15
Regeling integriteitsbeleid EZ
1. Het hoofd van dienst kan geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 12 tot en met 14, indien de goede vervulling van de functie van de betrokken medewerker en het goed functioneren van de dienst in redelijkheid verzekerd blijft.
2. Het hoofd van dienst verleent een ontheffing van artikel 13, eerste lid, voor zover de betrokken medewerker aantoont dat de betrokken financiële belangen krachtens een schriftelijke vrijehandbeheerovereenkomst worden beheerd door een derde en hij geen functies bekleedt binnen de organisatie van die derde.
3. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
4. Het hoofd van dienst kan een ontheffing intrekken of wijzigen indien:
a. de feiten of omstandigheden op grond waarvan de ontheffing werd verleend zijn gewijzigd;
b. de medewerker de bij of krachtens artikel 61a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement gestelde regels dan wel een aan de ontheffing verbonden voorschrift niet nakomt.
2. Het hoofd van dienst verleent een ontheffing van artikel 13, eerste lid, voor zover de betrokken medewerker aantoont dat de betrokken financiële belangen krachtens een schriftelijke vrijehandbeheerovereenkomst worden beheerd door een derde en hij geen functies bekleedt binnen de organisatie van die derde.
3. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
4. Het hoofd van dienst kan een ontheffing intrekken of wijzigen indien:
a. de feiten of omstandigheden op grond waarvan de ontheffing werd verleend zijn gewijzigd;
b. de medewerker de bij of krachtens artikel 61a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement gestelde regels dan wel een aan de ontheffing verbonden voorschrift niet nakomt.