BWBR0032899
Geldig vanaf 2013-03-15
Artikel 7
Regeling verdeling op afroep
1. Indien de minister een besluit neemt, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van het Frequentiebesluit 2013, deelt de minister iedere aanvrager mee aan wie de vergunningen zullen worden verleend.
2. De frequentieruimte waarop de vergunningen die aan een aanvrager worden verleend, betrekking hebben, is indien mogelijk aaneengesloten.
3. Indien het totaal aan frequentieruimte waarop de te verlenen vergunningen betrekking hebben, kleiner is dan de beschikbare frequentieruimte binnen de band, worden de vergunningen zodanig verleend dat de frequentieruimte binnen de band waarvoor geen vergunning wordt verleend aaneengesloten is.
4. Met inachtneming van het tweede en derde lid worden, indien dit mogelijk is voor alle aanvragers aan wie vergunningen worden verleend en die een voorkeur hebben opgegeven bij de aanvraag, de vergunningen verleend overeenkomstig de voorkeur die bij de aanvraag is opgegeven.
5. Indien binnen een frequentieband aan meerdere aanvragers vergunningen worden verleend, en toepassing van het vierde lid niet voor elk van de aanvragers aan wie vergunningen worden verleend en die een voorkeur hebben opgegeven bij de aanvraag mogelijk is, worden alle aanvragers aan wie vergunningen worden verleend gedurende vier weken vanaf de mededeling bedoeld in het eerste lid in de gelegenheid gesteld om, met inachtneming van het tweede en derde lid, onderling overeen te komen voor welke frequentieruimte vergunningen worden verleend aan welke aanvrager. Indien na afloop van de periode bedoeld in de eerste volzin niet alle aanvragers aan wie vergunningen worden verleend tot overeenstemming zijn gekomen, bepaalt de minister door middel van een loting, met inachtneming van het tweede en derde lid, voor welke frequentieruimte vergunningen worden verleend aan welke aanvrager.
6. Indien toepassing van het vierde lid mogelijk is voor elk van de aanvragers aan wie vergunningen worden verleend die een voorkeur hebben opgegeven bij de aanvraag, is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing op de verdeling van de na toepassing van het vierde lid resterende frequentieruimte tussen de aanvragers aan wie vergunningen zullen worden verleend en die bij de aanvraag hebben opgegeven geen voorkeur te hebben.
7. De minister deelt iedere aanvrager mee voor welke frequentieruimte de vergunningen zijn verleend en aan welke aanvrager. De minister maakt de datum van het einde van de VOA-procedure en de nadien nog beschikbare frequentieruimte binnen de band waarop de procedure betrekking had, bekend.
2. De frequentieruimte waarop de vergunningen die aan een aanvrager worden verleend, betrekking hebben, is indien mogelijk aaneengesloten.
3. Indien het totaal aan frequentieruimte waarop de te verlenen vergunningen betrekking hebben, kleiner is dan de beschikbare frequentieruimte binnen de band, worden de vergunningen zodanig verleend dat de frequentieruimte binnen de band waarvoor geen vergunning wordt verleend aaneengesloten is.
4. Met inachtneming van het tweede en derde lid worden, indien dit mogelijk is voor alle aanvragers aan wie vergunningen worden verleend en die een voorkeur hebben opgegeven bij de aanvraag, de vergunningen verleend overeenkomstig de voorkeur die bij de aanvraag is opgegeven.
5. Indien binnen een frequentieband aan meerdere aanvragers vergunningen worden verleend, en toepassing van het vierde lid niet voor elk van de aanvragers aan wie vergunningen worden verleend en die een voorkeur hebben opgegeven bij de aanvraag mogelijk is, worden alle aanvragers aan wie vergunningen worden verleend gedurende vier weken vanaf de mededeling bedoeld in het eerste lid in de gelegenheid gesteld om, met inachtneming van het tweede en derde lid, onderling overeen te komen voor welke frequentieruimte vergunningen worden verleend aan welke aanvrager. Indien na afloop van de periode bedoeld in de eerste volzin niet alle aanvragers aan wie vergunningen worden verleend tot overeenstemming zijn gekomen, bepaalt de minister door middel van een loting, met inachtneming van het tweede en derde lid, voor welke frequentieruimte vergunningen worden verleend aan welke aanvrager.
6. Indien toepassing van het vierde lid mogelijk is voor elk van de aanvragers aan wie vergunningen worden verleend die een voorkeur hebben opgegeven bij de aanvraag, is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing op de verdeling van de na toepassing van het vierde lid resterende frequentieruimte tussen de aanvragers aan wie vergunningen zullen worden verleend en die bij de aanvraag hebben opgegeven geen voorkeur te hebben.
7. De minister deelt iedere aanvrager mee voor welke frequentieruimte de vergunningen zijn verleend en aan welke aanvrager. De minister maakt de datum van het einde van de VOA-procedure en de nadien nog beschikbare frequentieruimte binnen de band waarop de procedure betrekking had, bekend.