BWBR0032818
Geldig vanaf 2013-01-25
Artikel 6
Besluit aftrekbeperking bovenmatige deelnemingsrente
1. Ingeval een fiscale eenheid wordt aangegaan met een dochtermaatschappij die aandelen bezit, wordt bij de moedermaatschappij van de fiscale eenheid de verkrijgingsprijs van die aandelen gesteld op de verkrijgingsprijs van deze aandelen door de dochtermaatschappij dan wel, indien dit hoger is, op een evenredig deel van de verkrijgingsprijs van de aandelen in de dochtermaatschappij. In afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt, voor zover het belang in de dochtermaatschappij waarmee de fiscale eenheid wordt aangegaan middellijk wordt gehouden via een tussenmaatschappij, bij de moedermaatschappij van de fiscale eenheid de verkrijgingsprijs van de bij de te voegen maatschappij in het bezit zijnde aandelen gesteld op de verkrijgingsprijs van deze aandelen door die maatschappij. Voor de bepaling van het kwalificerende deel van de verkrijgingsprijs is artikel 4van overeenkomstige toepassing.
2. In geval van ontvoeging van een dochtermaatschappij wordt de verkrijgingsprijs:
a. van de aandelen in die maatschappij gesteld: 1°. indien die maatschappij niet is opgericht binnen de fiscale eenheid: op de verkrijgingsprijs van de aandelen in die maatschappij op het voegingstijdstip vermeerderd met eventuele kapitaalstortingen en verminderd met terugbetalingen van kapitaal;
2°. indien die maatschappij binnen de fiscale eenheid is opgericht: op het naar rato van het aandelenbezit in die maatschappij, met inachtneming van eventueel aan dat aandelenbezit verbonden bijzondere rechten, bepaalde deel van het in die maatschappij bijeengebrachte kapitaal;
1°. indien die maatschappij niet is opgericht binnen de fiscale eenheid: op de verkrijgingsprijs van de aandelen in die maatschappij op het voegingstijdstip vermeerderd met eventuele kapitaalstortingen en verminderd met terugbetalingen van kapitaal;
2°. indien die maatschappij binnen de fiscale eenheid is opgericht: op het naar rato van het aandelenbezit in die maatschappij, met inachtneming van eventueel aan dat aandelenbezit verbonden bijzondere rechten, bepaalde deel van het in die maatschappij bijeengebrachte kapitaal;
b. van de aandelen die tot de bezittingen van die maatschappij behoren, gesteld op de verkrijgingsprijs van deze aandelen bij de fiscale eenheid, dan wel, indien dit lager is, de verkrijgingsprijs van de aandelen bij eerste verkrijging door het concern.
Het kwalificerende deel van de verkrijgingsprijs wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van de artikelen 4en 5.
3. Indien sprake is van een fiscale eenheid in de zin van artikel 15a van de wet, wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan onder:
a. moedermaatschappij: de centrale maatschappij, bedoeld in artikel 15a van de wet;
b. dochtermaatschappij: het lid van de centrale maatschappij.
De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op onderlinge waarborgmaatschappijen.
2. In geval van ontvoeging van een dochtermaatschappij wordt de verkrijgingsprijs:
a. van de aandelen in die maatschappij gesteld: 1°. indien die maatschappij niet is opgericht binnen de fiscale eenheid: op de verkrijgingsprijs van de aandelen in die maatschappij op het voegingstijdstip vermeerderd met eventuele kapitaalstortingen en verminderd met terugbetalingen van kapitaal;
2°. indien die maatschappij binnen de fiscale eenheid is opgericht: op het naar rato van het aandelenbezit in die maatschappij, met inachtneming van eventueel aan dat aandelenbezit verbonden bijzondere rechten, bepaalde deel van het in die maatschappij bijeengebrachte kapitaal;
1°. indien die maatschappij niet is opgericht binnen de fiscale eenheid: op de verkrijgingsprijs van de aandelen in die maatschappij op het voegingstijdstip vermeerderd met eventuele kapitaalstortingen en verminderd met terugbetalingen van kapitaal;
2°. indien die maatschappij binnen de fiscale eenheid is opgericht: op het naar rato van het aandelenbezit in die maatschappij, met inachtneming van eventueel aan dat aandelenbezit verbonden bijzondere rechten, bepaalde deel van het in die maatschappij bijeengebrachte kapitaal;
b. van de aandelen die tot de bezittingen van die maatschappij behoren, gesteld op de verkrijgingsprijs van deze aandelen bij de fiscale eenheid, dan wel, indien dit lager is, de verkrijgingsprijs van de aandelen bij eerste verkrijging door het concern.
Het kwalificerende deel van de verkrijgingsprijs wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van de artikelen 4en 5.
3. Indien sprake is van een fiscale eenheid in de zin van artikel 15a van de wet, wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan onder:
a. moedermaatschappij: de centrale maatschappij, bedoeld in artikel 15a van de wet;
b. dochtermaatschappij: het lid van de centrale maatschappij.
De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op onderlinge waarborgmaatschappijen.