BWBR0032514
Geldig vanaf 2013-01-01
Artikel 5
Beleidsregel boeteoplegging Brzo 1999
Bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete kunnen, in het geval er sprake is van een overtreding die door een handeling van een persoon is begaan, één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn die achtereenvolgens leiden tot verlaging van het boetebedrag:
1°. indien de overtreder aantoont dat hij de risico’s ten aanzien waarvan de overtreding zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan een veilige werkwijze heeft ontwikkeld, de benodigde maatregelen heeft getroffen en een kenbaar en voldoende preventiebeleid heeft, wordt de bestuurlijke boete met een derde gematigd;
2°. indien de overtreder bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de bestuurlijke boete met nog een derde gematigd;
3°. indien de overtreder bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen bestuurlijke boete opgelegd.
1°. indien de overtreder aantoont dat hij de risico’s ten aanzien waarvan de overtreding zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan een veilige werkwijze heeft ontwikkeld, de benodigde maatregelen heeft getroffen en een kenbaar en voldoende preventiebeleid heeft, wordt de bestuurlijke boete met een derde gematigd;
2°. indien de overtreder bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de bestuurlijke boete met nog een derde gematigd;
3°. indien de overtreder bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen bestuurlijke boete opgelegd.