BWBR0032460
Geldig vanaf 2013-01-01
Artikel 11
Regeling sturing van en toezicht op het Kadaster
1. De minister legt de volgende voornemens tijdig aan de Dienst voor met het oog op een uitvoeringstoets:
a. voor het functioneren van de Dienst relevante beleidsvoornemens;
b. voorgenomen wet- en regelgeving;
c. overige voornemens tot het opdragen van taken of het stellen van regels met betrekking tot de uitoefening van de taken bij of krachtens een wet waarvoor hij eerste verantwoordelijke is; en
d. voornemens tot het stellen van Beleidsregels in de zin van artikel 21 Kaderwet.
2. In de uitvoeringstoets worden in ieder geval de financiële, organisatorische en juridische gevolgen van het in het eerste lid genoemde voornemen, beschreven, alsmede de gevolgen voor de bedrijfsvoering, de gebruikers en afnemers van de Dienst.
3. De minister reageert op de door de Dienst toegezonden rapportage en geeft daarbij in ieder geval aan hoe de rapportage in de besluitvorming is of zal worden betrokken.
4. Indien de minister nalaat tijdig te verzoeken om een uitvoeringstoets, informeert de Dienst de minister van de intentie van de Dienst om een uitvoeringstoets uit eigen beweging uit te voeren.
5. Indien in de loop van het besluitvormingsproces het aan de Dienst voorgelegde voornemen op voor de Dienst relevante punten wordt gewijzigd, legt de minister de wijzigingen ten behoeve van een finale uitvoeringstoets voor aan de Dienst.
a. voor het functioneren van de Dienst relevante beleidsvoornemens;
b. voorgenomen wet- en regelgeving;
c. overige voornemens tot het opdragen van taken of het stellen van regels met betrekking tot de uitoefening van de taken bij of krachtens een wet waarvoor hij eerste verantwoordelijke is; en
d. voornemens tot het stellen van Beleidsregels in de zin van artikel 21 Kaderwet.
2. In de uitvoeringstoets worden in ieder geval de financiële, organisatorische en juridische gevolgen van het in het eerste lid genoemde voornemen, beschreven, alsmede de gevolgen voor de bedrijfsvoering, de gebruikers en afnemers van de Dienst.
3. De minister reageert op de door de Dienst toegezonden rapportage en geeft daarbij in ieder geval aan hoe de rapportage in de besluitvorming is of zal worden betrokken.
4. Indien de minister nalaat tijdig te verzoeken om een uitvoeringstoets, informeert de Dienst de minister van de intentie van de Dienst om een uitvoeringstoets uit eigen beweging uit te voeren.
5. Indien in de loop van het besluitvormingsproces het aan de Dienst voorgelegde voornemen op voor de Dienst relevante punten wordt gewijzigd, legt de minister de wijzigingen ten behoeve van een finale uitvoeringstoets voor aan de Dienst.