BWBR0032415
Geldig vanaf 2020-07-11
Artikel 7
Beleidsregel werkwijze toezichthouder kinderopvang
1. Het inspectierapport met betrekking tot kindercentra, gastouderbureaus en gastouders wordt opgesteld volgens het door GGD GHOR Nederland ontwikkelde modelrapport en vermeldt de datum van vaststelling.
2. Een inspectierapport bevat:
a. de naam, het adres, de postcode en de plaats van de onderzochte vestiging en indien de houder formeel op een ander adres dan deze vestiging gevestigd is ook de naam, het adres, de postcode en de plaats van die andere vestiging van de houder;
b. de soort voorziening die is onderzocht;
c. naam en adres van de gemeente namens wie de GGD-ambtenaar het onderzoek heeft uitgevoerd;
d. naam en adres van de toezichthouder die het onderzoek, bedoeld in artikelen 1.62, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de wet, heeft uitgevoerd;
e. de aanleiding voor het onderzoek;
f. de datum van het onderzoek;
g. de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd;
h. een inhoudelijke beschouwing, waarin de conclusies logisch volgen uit de onderzoeksresultaten;
i. een advies aan het college;
j. de naam van de GGD-medewerker of GGD-medewerkers die het onderzoek heeft of hebben uitgevoerd.
3. Indien de toezichthouder tot het oordeel, bedoeld in de artikelen 1.63, tweede lid, van de wet, komt geeft hij in het inspectierapport aan waarom sprake is van overtreding van een of meer onderdelen van de wet.
2. Een inspectierapport bevat:
a. de naam, het adres, de postcode en de plaats van de onderzochte vestiging en indien de houder formeel op een ander adres dan deze vestiging gevestigd is ook de naam, het adres, de postcode en de plaats van die andere vestiging van de houder;
b. de soort voorziening die is onderzocht;
c. naam en adres van de gemeente namens wie de GGD-ambtenaar het onderzoek heeft uitgevoerd;
d. naam en adres van de toezichthouder die het onderzoek, bedoeld in artikelen 1.62, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de wet, heeft uitgevoerd;
e. de aanleiding voor het onderzoek;
f. de datum van het onderzoek;
g. de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd;
h. een inhoudelijke beschouwing, waarin de conclusies logisch volgen uit de onderzoeksresultaten;
i. een advies aan het college;
j. de naam van de GGD-medewerker of GGD-medewerkers die het onderzoek heeft of hebben uitgevoerd.
3. Indien de toezichthouder tot het oordeel, bedoeld in de artikelen 1.63, tweede lid, van de wet, komt geeft hij in het inspectierapport aan waarom sprake is van overtreding van een of meer onderdelen van de wet.