BWBR0032136
Geldig vanaf 2013-01-01
Artikel 6
Besluit bewapening en uitrusting politie
1. De bewapening van de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Politiewet 2012die op grond van artikel 7, negende lid, van die wetde bevoegdheid heeft geweld te gebruiken, bestaat, indien Onze Minister daarvoor toestemming heeft gegeven, tijdens de uitoefening van de dienst uit:
a. een korte wapenstok;
b. pepperspray;
c. het pistool.
2. De bewapening van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die belast is met persoonsbeveiliging, bestaat tevens uit de in artikel 12genoemde wapens.
3. De bewapening van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die behoort tot een aanhoudings- en ondersteuningsteam, bestaat tevens uit de in artikel 13, eerste lid, genoemde wapens.
4. Het verzoek voor het bewapenen wordt gedaan door de korpschef.
5. Aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorwaarden worden verbonden.
6. De uitrusting van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit:
a. handboeien;
b. een koppel;
c. een veiligheidsvest;
d. nazorgmiddelen bij het gebruik van pepperspray.
7. Indien de korpschef dit noodzakelijk acht, kan de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, mede worden uitgerust met andere vrijheidsbeperkende middelen waarmee de polsen van een persoon bij elkaar kunnen worden gehouden.
8. De uitrusting van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, kan mede bestaan uit:
a. een tactisch vest;
b. een kogelwerende helm;
c. een gasmasker;
d. een schild.
a. een korte wapenstok;
b. pepperspray;
c. het pistool.
2. De bewapening van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die belast is met persoonsbeveiliging, bestaat tevens uit de in artikel 12genoemde wapens.
3. De bewapening van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die behoort tot een aanhoudings- en ondersteuningsteam, bestaat tevens uit de in artikel 13, eerste lid, genoemde wapens.
4. Het verzoek voor het bewapenen wordt gedaan door de korpschef.
5. Aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorwaarden worden verbonden.
6. De uitrusting van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit:
a. handboeien;
b. een koppel;
c. een veiligheidsvest;
d. nazorgmiddelen bij het gebruik van pepperspray.
7. Indien de korpschef dit noodzakelijk acht, kan de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, mede worden uitgerust met andere vrijheidsbeperkende middelen waarmee de polsen van een persoon bij elkaar kunnen worden gehouden.
8. De uitrusting van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, kan mede bestaan uit:
a. een tactisch vest;
b. een kogelwerende helm;
c. een gasmasker;
d. een schild.