BWBR0032136
Geldig vanaf 2013-01-01
Artikel 5
Besluit bewapening en uitrusting politie
1. De bewapening van de aspirant bestaat tijdens de uitoefening van de dienst in de beroepspraktijkvorming, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politieuit:
a. een korte wapenstok;
b. pepperspray.
2. De bewapening van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die een opleiding volgt op een niveau dat overeenkomt met niveau 3 of hoger als bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijsof op een niveau dat op grond van artikel 7.10aof artikel 7.10b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekrecht geeft op het voeren van de graad Associate degree, Bachelor of Master, bestaat tijdens de uitoefening van de dienst in de beroepspraktijkvorming, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politiemede uit het pistool.
3. De uitrusting van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit:
a. handboeien;
b. een koppel;
c. een veiligheidsvest;
d. nazorgmiddelen bij het gebruik van pepperspray.
4. Indien de korpschef dit noodzakelijk acht, kan de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, mede worden uitgerust met andere vrijheidsbeperkende middelen waarmee de polsen van een persoon bij elkaar kunnen worden gehouden.
5. De uitrusting van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, kan mede bestaan uit:
a. een tactisch vest;
b. een kogelwerende helm;
c. een gasmasker;
d. een schild.
6. Het eerste tot en met vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar in opleiding en de ambtenaar die enkel een krachtens artikel 2c, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politieaangewezen politieopleiding heeft voltooid, tijdens de uitoefening van de dienst gedurende de beroepspraktijkvorming, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie.
a. een korte wapenstok;
b. pepperspray.
2. De bewapening van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die een opleiding volgt op een niveau dat overeenkomt met niveau 3 of hoger als bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijsof op een niveau dat op grond van artikel 7.10aof artikel 7.10b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekrecht geeft op het voeren van de graad Associate degree, Bachelor of Master, bestaat tijdens de uitoefening van de dienst in de beroepspraktijkvorming, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politiemede uit het pistool.
3. De uitrusting van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit:
a. handboeien;
b. een koppel;
c. een veiligheidsvest;
d. nazorgmiddelen bij het gebruik van pepperspray.
4. Indien de korpschef dit noodzakelijk acht, kan de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, mede worden uitgerust met andere vrijheidsbeperkende middelen waarmee de polsen van een persoon bij elkaar kunnen worden gehouden.
5. De uitrusting van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, kan mede bestaan uit:
a. een tactisch vest;
b. een kogelwerende helm;
c. een gasmasker;
d. een schild.
6. Het eerste tot en met vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar in opleiding en de ambtenaar die enkel een krachtens artikel 2c, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politieaangewezen politieopleiding heeft voltooid, tijdens de uitoefening van de dienst gedurende de beroepspraktijkvorming, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie.