BWBR0031997
Geldig vanaf 2012-09-25
Artikel 2
Besluit mandaat, volmacht en machtiging ProRail inzake bevoegdheden Spoorwegwet
1. Aan de president-directeur wordt mandaat verleend om namens de minister besluiten te nemen inzake:
a. vergunningen krachtens artikel 19, eerste lid, van de Spoorwegwet;
b. afwijkende begrenzingen van hoofdspoorwegen krachtens artikel 21, derde lid, van het Besluit spoorweginfrastructuur;
c. het bij beschikking verzoeken om nadere informatie krachtens artikel 5, vijfde lid, van de Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen;
d. het stellen van maatwerkvoorschriften krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen;
e. ontheffingen krachtens artikel 13, derde lid, van de Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen;
f. ontheffingen krachtens artikel 22, derde lid, van de Spoorwegwet;
g. ontheffingen krachtens artikel 40, eerste lid, van het Besluit spoorverkeer met betrekking tot artikel 12, eerste lid, van het Besluit spoorverkeer.
2. Aan de president-directeur wordt voorts mandaat verleend om namens de minister besluiten te nemen inzake verzoeken om schadevergoeding op grond van:
a. de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999, voor zover de verzoeken tot schadevergoeding samenhangen met het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste lid;
b. de Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999 (NKL 1999), voor zover de verzoeken tot schadevergoeding samenhangen met: 1°. het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste lid;
2°. een tracébesluit, voorzover ProRail belast is met de werkzaamheden op grond van het desbetreffende tracébesluit, of
3°. een besluit als bedoeld in het Besluit Infrastructuurfonds en waarvoor ProRail belast is met de uitvoering van werkzaamheden.
1°. het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste lid;
2°. een tracébesluit, voorzover ProRail belast is met de werkzaamheden op grond van het desbetreffende tracébesluit, of
3°. een besluit als bedoeld in het Besluit Infrastructuurfonds en waarvoor ProRail belast is met de uitvoering van werkzaamheden.
3. Aan de president-directeur wordt voorts mandaat verleend om namens de minister besluiten te nemen inzake de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij niet tijdig nemen van besluiten krachtens artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover dit verband houdt met besluiten die op grond van dit besluit zijn genomen.
4. De president-directeur kan van het hem in het eerste tot en met derde lid verleende mandaat ondermandaat verlenen aan één of meerdere onder hem ressorterende functionarissen.
a. vergunningen krachtens artikel 19, eerste lid, van de Spoorwegwet;
b. afwijkende begrenzingen van hoofdspoorwegen krachtens artikel 21, derde lid, van het Besluit spoorweginfrastructuur;
c. het bij beschikking verzoeken om nadere informatie krachtens artikel 5, vijfde lid, van de Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen;
d. het stellen van maatwerkvoorschriften krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen;
e. ontheffingen krachtens artikel 13, derde lid, van de Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen;
f. ontheffingen krachtens artikel 22, derde lid, van de Spoorwegwet;
g. ontheffingen krachtens artikel 40, eerste lid, van het Besluit spoorverkeer met betrekking tot artikel 12, eerste lid, van het Besluit spoorverkeer.
2. Aan de president-directeur wordt voorts mandaat verleend om namens de minister besluiten te nemen inzake verzoeken om schadevergoeding op grond van:
a. de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999, voor zover de verzoeken tot schadevergoeding samenhangen met het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste lid;
b. de Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999 (NKL 1999), voor zover de verzoeken tot schadevergoeding samenhangen met: 1°. het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste lid;
2°. een tracébesluit, voorzover ProRail belast is met de werkzaamheden op grond van het desbetreffende tracébesluit, of
3°. een besluit als bedoeld in het Besluit Infrastructuurfonds en waarvoor ProRail belast is met de uitvoering van werkzaamheden.
1°. het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste lid;
2°. een tracébesluit, voorzover ProRail belast is met de werkzaamheden op grond van het desbetreffende tracébesluit, of
3°. een besluit als bedoeld in het Besluit Infrastructuurfonds en waarvoor ProRail belast is met de uitvoering van werkzaamheden.
3. Aan de president-directeur wordt voorts mandaat verleend om namens de minister besluiten te nemen inzake de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij niet tijdig nemen van besluiten krachtens artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover dit verband houdt met besluiten die op grond van dit besluit zijn genomen.
4. De president-directeur kan van het hem in het eerste tot en met derde lid verleende mandaat ondermandaat verlenen aan één of meerdere onder hem ressorterende functionarissen.