BWBR0031995
Geldig vanaf 2012-10-01
Artikel 3
Regeling bezoldiging College voor de rechten van de mens
1. De leden van het college hebben, overeenkomstig de bepalingen die voor rijksambtenaren gelden, aanspraak op een vakantie-uitkering, een eindejaarsuitkering, een ziektekostenvergoeding, een waarnemingstoelage, een vergoeding van reis- en verblijfkosten, een representatiekostenvergoeding en een vergoeding van verplaatsingskosten.
2. Voorts ontvangen de leden van het college een gratificatie ter zake van veeljarige dienst op de tijdstippen en tot de bedragen die gelden voor rijksambtenaren. Bij de bepaling van de diensttijd wordt, overeenkomstig de bepalingen die voor rijksambtenaren gelden, rekening gehouden met tijd in overheidsdienst doorgebracht.
3. Aan een lid of leden van het college kan overeenkomstig de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren een toelage of eenmalige uitkering worden toegekend.
4. Indien aan de rijksambtenaren een eenmalige uitkering wordt toegekend, ontvangen de leden van het college deze op gelijke voet.
5. De bevoegdheden die op grond van het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing zijn, worden uitgeoefend door de minister, met dien verstande dat de bevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de aan een bepaald gezag toekomende regelgevende bevoegdheden worden uitgeoefend door die minister, onderscheidenlijk dat gezag.
2. Voorts ontvangen de leden van het college een gratificatie ter zake van veeljarige dienst op de tijdstippen en tot de bedragen die gelden voor rijksambtenaren. Bij de bepaling van de diensttijd wordt, overeenkomstig de bepalingen die voor rijksambtenaren gelden, rekening gehouden met tijd in overheidsdienst doorgebracht.
3. Aan een lid of leden van het college kan overeenkomstig de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren een toelage of eenmalige uitkering worden toegekend.
4. Indien aan de rijksambtenaren een eenmalige uitkering wordt toegekend, ontvangen de leden van het college deze op gelijke voet.
5. De bevoegdheden die op grond van het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing zijn, worden uitgeoefend door de minister, met dien verstande dat de bevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de aan een bepaald gezag toekomende regelgevende bevoegdheden worden uitgeoefend door die minister, onderscheidenlijk dat gezag.