BWBR0031995
Geldig vanaf 2012-10-01
Artikel 2
Regeling bezoldiging College voor de rechten van de mens
1. Het salaris van de voorzitter van het college die voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 17 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
2. Het salaris van een ondervoorzitter van het college die voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 16 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
3. Het salaris van een ander lid van het college dat voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 15 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
4. Een lid van het college dat is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan gemiddeld 36 uren per week, ontvangt een salaris overeenkomstig het eerste tot en met derde lid, vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor. De arbeidsduurfactor, bedoeld in de eerste volzin, is een breuk waarvan de teller uit de voor het lid van het college vastgestelde arbeidsduur bestaat en de noemer uit het getal 36 bestaat.
2. Het salaris van een ondervoorzitter van het college die voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 16 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
3. Het salaris van een ander lid van het college dat voor een arbeidsduur van gemiddeld 36 uren per week is aangesteld, is gelijk aan het maximum van salarisschaal 15 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren.
4. Een lid van het college dat is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan gemiddeld 36 uren per week, ontvangt een salaris overeenkomstig het eerste tot en met derde lid, vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor. De arbeidsduurfactor, bedoeld in de eerste volzin, is een breuk waarvan de teller uit de voor het lid van het college vastgestelde arbeidsduur bestaat en de noemer uit het getal 36 bestaat.