BWBR0031350
Geldig vanaf 2019-06-16
Artikel 21
Regeling indienststelling spoorvoertuigen
1. Er dient een compatibiliteitsstudie conform hoofdstuk 10 van NEN-EN 50388:2012 uitgevoerd te worden. Hiermee wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de eisen ten aanzien van overspanningen en harmonische emissielimieten van de netbeheerder.
2. Voor het uitvoeren van de compatibiliteitsstudie geldt dat:
a. ten behoeve van het uitvoeren van de compatibiliteitstudie de gegevens conform hoofdstuk 10 van NEN-EN 50388:2012 overlegd worden aan de beheerder; en
b. verdere uitvoering van de compatibiliteitsstudie niet noodzakelijk is indien de harmonische stroomemissie op treinniveau niet hoger is dan de waarde Ih in de onderstaande tabel.
[tabel]
3. In de in het eerste lid opgenomen tabel staat f voor de frequentie van de harmonische stroom en I hvoor het maximale 10-minuten gemiddelde van de harmonische stroom als percentage van het 10-minuten gemiddelde van de grondharmonische stroom. Daarbij wordt uitgegaan van een zuiver sinusvormige tractievoedingsbronspanning en een inductieve bronimpedantie die elke waarde tussen nul en 100 mH kan aannemen.
4. Bij de toepassing van de in het eerste lid opgenomen tabel geldt dat indien het tien minuten gemiddelde van de grondharmonische stroomcomponent minder bedraagt dan 25% van de opgenomen stroom bij vollast van het betreffende type voertuig, 25% van de grondharmonische stroom bij vollast aangehouden wordt.
5. De complexe ingangsadmittantie heeft in alle bedrijfstoestanden een positief reëel deel voor frequenties boven 500 Hz conform bijlage C2.1 van EN50388:2012.
2. Voor het uitvoeren van de compatibiliteitsstudie geldt dat:
a. ten behoeve van het uitvoeren van de compatibiliteitstudie de gegevens conform hoofdstuk 10 van NEN-EN 50388:2012 overlegd worden aan de beheerder; en
b. verdere uitvoering van de compatibiliteitsstudie niet noodzakelijk is indien de harmonische stroomemissie op treinniveau niet hoger is dan de waarde Ih in de onderstaande tabel.
[tabel]
3. In de in het eerste lid opgenomen tabel staat f voor de frequentie van de harmonische stroom en I hvoor het maximale 10-minuten gemiddelde van de harmonische stroom als percentage van het 10-minuten gemiddelde van de grondharmonische stroom. Daarbij wordt uitgegaan van een zuiver sinusvormige tractievoedingsbronspanning en een inductieve bronimpedantie die elke waarde tussen nul en 100 mH kan aannemen.
4. Bij de toepassing van de in het eerste lid opgenomen tabel geldt dat indien het tien minuten gemiddelde van de grondharmonische stroomcomponent minder bedraagt dan 25% van de opgenomen stroom bij vollast van het betreffende type voertuig, 25% van de grondharmonische stroom bij vollast aangehouden wordt.
5. De complexe ingangsadmittantie heeft in alle bedrijfstoestanden een positief reëel deel voor frequenties boven 500 Hz conform bijlage C2.1 van EN50388:2012.