BWBR0030867
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel 5
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit inspecteur-generaal SZW 2012
1. De directie Analyse, Programmering en Signalering is verantwoordelijk voor:
a. het in samenwerking met de directies voorbereiden van beslissingen over de strategie en de programmering betreffende de werkzaamheden van de inspectie, waaronder het meerjarig strategisch plan, de landelijke strategieën op het gebied van de directies Arbeidsmarktfraude, Arbeidsomstandigheden en Major Hazard Control, de opsporing van de directie Opsporing en de programma’s van de directie Werk en Inkomen, en het uitvoeren van deze beslissingen voor zover het de eigen directie betreft;
b. het coördineren van de beleidsontwikkeling en -uitvoering van de inspectie met de beleidsontwikkeling en -uitvoering van de andere onderdelen van het ministerie en van andere ministeries;
c. het verrichten van de inspectiebrede risicoanalyse en risicoanalyses voor onderdelen van de inspectie, waaronder mede begrepen rapportages betreffende de opsporing, zoals criminaliteitsbeelden, risicoanalyses en onderzoeksevaluaties;
d. het uitvoeren van de taken van het verbindingsbureau detacheringsarbeid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 96/71/EG;
e. het coördineren en opstellen van het handhavingsarrangement, genoemd in artikel 11 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;
f. het bijdragen aan de Integrale Rapportage Handhaving van het ministerie over de realisatie van de afspraken uit het handhavingsarrangement, genoemd in artikel 11 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;
g. het verrichten van het programma- en projectmanagement;
h. het zorgen voor de totstandkoming van handhaafbaarheids- en toezichtbaarheidstoetsen, in samenwerking met de desbetreffende directie;
i. het verzorgen van de communicatie in brede zin van de inspectie;
j. het verzorgen van de beleidsondersteuning en beleidsmatige signalering;
k. het verrichten van de effectmeting betreffende de inspectie en haar activiteiten;
l. het bijdragen aan de inspectiebrede producten, genoemd in artikel 8, onderdeel d.
2. Bij de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde verantwoordelijkheid ten aanzien van de directie Opsporing wordt rekening gehouden met de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, met name waar het betreft de taken en bevoegdheden van de Minister van Veiligheid en Justitie en het College van procureurs-generaal.
a. het in samenwerking met de directies voorbereiden van beslissingen over de strategie en de programmering betreffende de werkzaamheden van de inspectie, waaronder het meerjarig strategisch plan, de landelijke strategieën op het gebied van de directies Arbeidsmarktfraude, Arbeidsomstandigheden en Major Hazard Control, de opsporing van de directie Opsporing en de programma’s van de directie Werk en Inkomen, en het uitvoeren van deze beslissingen voor zover het de eigen directie betreft;
b. het coördineren van de beleidsontwikkeling en -uitvoering van de inspectie met de beleidsontwikkeling en -uitvoering van de andere onderdelen van het ministerie en van andere ministeries;
c. het verrichten van de inspectiebrede risicoanalyse en risicoanalyses voor onderdelen van de inspectie, waaronder mede begrepen rapportages betreffende de opsporing, zoals criminaliteitsbeelden, risicoanalyses en onderzoeksevaluaties;
d. het uitvoeren van de taken van het verbindingsbureau detacheringsarbeid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 96/71/EG;
e. het coördineren en opstellen van het handhavingsarrangement, genoemd in artikel 11 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;
f. het bijdragen aan de Integrale Rapportage Handhaving van het ministerie over de realisatie van de afspraken uit het handhavingsarrangement, genoemd in artikel 11 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;
g. het verrichten van het programma- en projectmanagement;
h. het zorgen voor de totstandkoming van handhaafbaarheids- en toezichtbaarheidstoetsen, in samenwerking met de desbetreffende directie;
i. het verzorgen van de communicatie in brede zin van de inspectie;
j. het verzorgen van de beleidsondersteuning en beleidsmatige signalering;
k. het verrichten van de effectmeting betreffende de inspectie en haar activiteiten;
l. het bijdragen aan de inspectiebrede producten, genoemd in artikel 8, onderdeel d.
2. Bij de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde verantwoordelijkheid ten aanzien van de directie Opsporing wordt rekening gehouden met de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, met name waar het betreft de taken en bevoegdheden van de Minister van Veiligheid en Justitie en het College van procureurs-generaal.