BWBR0030867
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel 4
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit inspecteur-generaal SZW 2012
Elk van de directeuren is verantwoordelijk voor:
a. het leiding geven aan de eigen directie;
b. het door tussenkomst van de inspecteur-generaal adviseren van de bewindspersonen ten aanzien van het werkterrein van de eigen directie;
c. het door tussenkomst van de inspecteur-generaal attenderen van de bewindspersonen op politiek of maatschappelijk gevoelige aspecten;
d. het binnen de door de inspecteur-generaal gestelde kaders zorgdragen voor een effectieve en efficiënte organisatie, met uitzondering van de vaststelling van de formatie, voor periodieke evaluatie daarvan en voor de planning en bewaking van de productie van de eigen directie;
e. personeelsaangelegenheden van de onder elk van hen ressorterende functionarissen, met inbegrip van de uitvoering van het arbeidsomstandigheden- en ziekteverzuimbeleid, voor zover dit niet is voorbehouden aan de secretaris-generaal, de inspecteur-generaal dan wel de directeur Informatiehuishouding en Inspectieondersteuning;
f. het zorgdragen voor de administratieve en financiële afhandeling van de uitvoering van de eigen personeelsaangelegenheden voor zover deze niet is opgedragen aan anderen, zoals de directeur Informatiehuishouding en Inspectieondersteuning, de directeur Bedrijfsvoering van het ministerie en de Stichting Pensioenfonds ABP;
g. het op orde hebben van de administratieve organisatie, voor zover deze niet is belegd bij de directie Informatiehuishouding en Inspectieondersteuning;
h. het leveren van een bijdrage betreffende zijn directie aan het meerjarig strategisch plan, het jaarplan, het inspectieplan en het jaarverslag van de inspectie;
i. het voorbereiden en uitvoeren van het de eigen directie betreffende deel van het jaarplan en het inspectieplan binnen de door de secretaris-generaal en inspecteur-generaal vastgestelde uitgangspunten;
j. het rapporteren aan de inspecteur-generaal over de uitvoering van het de eigen directie betreffende deel van het jaarplan en het inspectieplan;
k. het na overeenstemming daarover met de inspecteur-generaal aanwijzen van een plaatsvervangend directeur;
l. het zorgdragen voor de vastlegging van de organisatie van de eigen directie en de daarbinnen geldende mandaten, volmachten en machtigingen in een organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit voor de eigen directie;
m. het behandelen van klachten als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover deze betrekking hebben op de gedragingen van de onder hen ressorterende functionarissen;
n. het bijdragen aan de ontwikkeling van de inspectie.
a. het leiding geven aan de eigen directie;
b. het door tussenkomst van de inspecteur-generaal adviseren van de bewindspersonen ten aanzien van het werkterrein van de eigen directie;
c. het door tussenkomst van de inspecteur-generaal attenderen van de bewindspersonen op politiek of maatschappelijk gevoelige aspecten;
d. het binnen de door de inspecteur-generaal gestelde kaders zorgdragen voor een effectieve en efficiënte organisatie, met uitzondering van de vaststelling van de formatie, voor periodieke evaluatie daarvan en voor de planning en bewaking van de productie van de eigen directie;
e. personeelsaangelegenheden van de onder elk van hen ressorterende functionarissen, met inbegrip van de uitvoering van het arbeidsomstandigheden- en ziekteverzuimbeleid, voor zover dit niet is voorbehouden aan de secretaris-generaal, de inspecteur-generaal dan wel de directeur Informatiehuishouding en Inspectieondersteuning;
f. het zorgdragen voor de administratieve en financiële afhandeling van de uitvoering van de eigen personeelsaangelegenheden voor zover deze niet is opgedragen aan anderen, zoals de directeur Informatiehuishouding en Inspectieondersteuning, de directeur Bedrijfsvoering van het ministerie en de Stichting Pensioenfonds ABP;
g. het op orde hebben van de administratieve organisatie, voor zover deze niet is belegd bij de directie Informatiehuishouding en Inspectieondersteuning;
h. het leveren van een bijdrage betreffende zijn directie aan het meerjarig strategisch plan, het jaarplan, het inspectieplan en het jaarverslag van de inspectie;
i. het voorbereiden en uitvoeren van het de eigen directie betreffende deel van het jaarplan en het inspectieplan binnen de door de secretaris-generaal en inspecteur-generaal vastgestelde uitgangspunten;
j. het rapporteren aan de inspecteur-generaal over de uitvoering van het de eigen directie betreffende deel van het jaarplan en het inspectieplan;
k. het na overeenstemming daarover met de inspecteur-generaal aanwijzen van een plaatsvervangend directeur;
l. het zorgdragen voor de vastlegging van de organisatie van de eigen directie en de daarbinnen geldende mandaten, volmachten en machtigingen in een organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit voor de eigen directie;
m. het behandelen van klachten als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover deze betrekking hebben op de gedragingen van de onder hen ressorterende functionarissen;
n. het bijdragen aan de ontwikkeling van de inspectie.