BWBR0030733
Geldig vanaf 2011-12-17
Artikel 14
Wet College voor de rechten van de mens
1. Het College bestaat uit minimaal negen en maximaal twaalf leden, onder wie een voorzitter en twee ondervoorzitters. Voorts kunnen plaatsvervangende leden worden benoemd.
2. De voorzitter en een van beide ondervoorzitters voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, gesteld bij of krachtens <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5, eerste en tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>. Bij de benoeming van de voorzitter van het College kan in bijzondere gevallen van het bepaalde in de eerste volzin worden afgeweken.
3. Het College wordt vertegenwoordigd door de voorzitter of, bij afwezigheid, door een ondervoorzitter.
2. De voorzitter en een van beide ondervoorzitters voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, gesteld bij of krachtens <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5, eerste en tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>. Bij de benoeming van de voorzitter van het College kan in bijzondere gevallen van het bepaalde in de eerste volzin worden afgeweken.
3. Het College wordt vertegenwoordigd door de voorzitter of, bij afwezigheid, door een ondervoorzitter.