BWBR0030288
Geldig vanaf 2024-11-26
Artikel 131
Uitvoeringsregeling zeevisserij
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4, 7, tweede lid, 9, 20, eerste lid, 26, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, 28, tweede lid, 29, 30, eerste lid, 31, 32, 38, eerste, tweede lid en vierde lid, 38 ter, 38 quater, eerste en derde lid, 38 septies, tweede lid, en 38 nonies, eerste, tweede en vierde lid, van verordening 2017/2403en met de door de Europese Commissie op grond van artikel 7, zesde en zevende lid, van die verordening vastgestelde maatregelen.
2. De in artikel 4 van verordening 2017/2403bedoelde vismachtiging wordt op aanvraag van de desbetreffende ondernemer door de minister verleend indien voldaan is aan artikel 5 van die verordening en aan:
a. artikel 10, onderdelen b tot en met d, van verordening 2017/2403, indien het de in artikel 8 van die verordening bedoelde visserijactiviteiten betreft;
b. artikel 14, eerste lid, van verordening 2017/2403, in samenhang met artikel 10, onderdelen b tot en met d, van die verordening, en in voorkomend geval aan de op grond van artikel 15 van die verordening door de Europese Commissie vastgestelde gedelegeerde handeling, indien het de in artikel 14, eerste lid, van verordening 2017/2403 bedoelde visserijactiviteiten betreft;
c. artikel 17, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van verordening 2017/2403, en in voorkomend geval aan artikel 27 van die verordening, indien het de in artikel 16 van die verordening bedoelde visserijactiviteiten betreft;
d. artikel 21, onderdeel b, van verordening 2017/2403, in voorkomend geval in samenhang met artikel 10, onderdelen b tot en met d, of met artikel 17, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van die verordening, in voorkomend geval aan artikel 27 van die verordening, en in voorkomend geval aan de eis om gegevens te verstrekken, bedoeld in de artikelen 23, eerste lid, van verordening 2022/2056 en artikel 29, vierde lid, van verordening 2022/2343, indien het de in artikel 19 van verordening 2017/2403 bedoelde visserijactiviteiten betreft; of
e. artikel 24, onderdeel b, van verordening 2017/2403, en in voorkomend geval aan artikel 27 van die verordening, indien het de in artikel 23 van die verordening bedoelde visserijactiviteiten betreft.
3. De minister kan weigeren een vismachtiging te verlenen indien hij dit noodzakelijk acht ter nakoming van verplichtingen van de Europese Unie.
4. De minister kan de vismachtiging schorsen of intrekken in de situatie, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van verordening 2017/2403.
5. De minister kan aan een vismachtiging voorschriften verbinden of de daaraan verbonden voorschriften wijzigen.
6. Het is verboden in strijd te handelen met de aan de vismachtiging verbonden voorschriften.
2. De in artikel 4 van verordening 2017/2403bedoelde vismachtiging wordt op aanvraag van de desbetreffende ondernemer door de minister verleend indien voldaan is aan artikel 5 van die verordening en aan:
a. artikel 10, onderdelen b tot en met d, van verordening 2017/2403, indien het de in artikel 8 van die verordening bedoelde visserijactiviteiten betreft;
b. artikel 14, eerste lid, van verordening 2017/2403, in samenhang met artikel 10, onderdelen b tot en met d, van die verordening, en in voorkomend geval aan de op grond van artikel 15 van die verordening door de Europese Commissie vastgestelde gedelegeerde handeling, indien het de in artikel 14, eerste lid, van verordening 2017/2403 bedoelde visserijactiviteiten betreft;
c. artikel 17, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van verordening 2017/2403, en in voorkomend geval aan artikel 27 van die verordening, indien het de in artikel 16 van die verordening bedoelde visserijactiviteiten betreft;
d. artikel 21, onderdeel b, van verordening 2017/2403, in voorkomend geval in samenhang met artikel 10, onderdelen b tot en met d, of met artikel 17, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van die verordening, in voorkomend geval aan artikel 27 van die verordening, en in voorkomend geval aan de eis om gegevens te verstrekken, bedoeld in de artikelen 23, eerste lid, van verordening 2022/2056 en artikel 29, vierde lid, van verordening 2022/2343, indien het de in artikel 19 van verordening 2017/2403 bedoelde visserijactiviteiten betreft; of
e. artikel 24, onderdeel b, van verordening 2017/2403, en in voorkomend geval aan artikel 27 van die verordening, indien het de in artikel 23 van die verordening bedoelde visserijactiviteiten betreft.
3. De minister kan weigeren een vismachtiging te verlenen indien hij dit noodzakelijk acht ter nakoming van verplichtingen van de Europese Unie.
4. De minister kan de vismachtiging schorsen of intrekken in de situatie, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van verordening 2017/2403.
5. De minister kan aan een vismachtiging voorschriften verbinden of de daaraan verbonden voorschriften wijzigen.
6. Het is verboden in strijd te handelen met de aan de vismachtiging verbonden voorschriften.