BWBR0030180
Geldig vanaf 2011-07-01
Artikel 1.4
Subsidieregeling emancipatie 2011
1. Het subsidieplafond voor de activiteiten waarvoor op grond van deze regeling subsidie kan worden verstrekt is gelijk aan het bedrag voor de programma-uitgaven in de ten tijde van de aanvraag geldende Rijksbegroting OCW, artikel 25 Emancipatie.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, bedraagt het maximaal beschikbare subsidiebedrag voor subsidieontvangers genoemd onder a tot en met f voor de jaren 2016 en 2017 maximaal:
a. voor de instelling bedoeld in artikel 2.2: € 300.000,– voor zowel het boekjaar 2016 als voor het boekjaar 2017;
b. voor de instelling bedoeld in artikel 2.3: € 800.000,– voor zowel het boekjaar 2016 als voor het boekjaar 2017;
c. voor de instelling bedoeld in artikel 2.4: € 150.000,– voor zowel het boekjaar 2016 als voor het boekjaar 2017;
d. voor de instelling bedoeld in artikel 2.5: € 2.648.436,– voor zowel het boekjaar 2016 als voor het boekjaar 2017;
e. voor de instelling bedoeld in artikel 2.7: € 150.000,– voor zowel het boekjaar 2016 als voor het boekjaar 2017;
f. voor de instelling bedoeld in artikel 2.8: € 150.000,– voor zowel het boekjaar 2016 als voor het boekjaar 2017.
3. De minister kan bovenop de maximale subsidiebedragen in het tweede lid loon- en prijscompensatie toekennen aan de instellingen genoemd in de artikelen 2.2 tot en met 2.8.
4. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, kan de minister een subsidieplafond stellen voor categorieën van projecten.
5. Indien de minister een plafond stelt als bedoeld in het vierde lid, kan de minster een termijn van indiening bepalen. In dat geval voorziet de minister in een gelijktijdige beslissing op aanvragen met betrekking tot soortgelijke projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de projectsubsidie.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, bedraagt het maximaal beschikbare subsidiebedrag voor subsidieontvangers genoemd onder a tot en met f voor de jaren 2016 en 2017 maximaal:
a. voor de instelling bedoeld in artikel 2.2: € 300.000,– voor zowel het boekjaar 2016 als voor het boekjaar 2017;
b. voor de instelling bedoeld in artikel 2.3: € 800.000,– voor zowel het boekjaar 2016 als voor het boekjaar 2017;
c. voor de instelling bedoeld in artikel 2.4: € 150.000,– voor zowel het boekjaar 2016 als voor het boekjaar 2017;
d. voor de instelling bedoeld in artikel 2.5: € 2.648.436,– voor zowel het boekjaar 2016 als voor het boekjaar 2017;
e. voor de instelling bedoeld in artikel 2.7: € 150.000,– voor zowel het boekjaar 2016 als voor het boekjaar 2017;
f. voor de instelling bedoeld in artikel 2.8: € 150.000,– voor zowel het boekjaar 2016 als voor het boekjaar 2017.
3. De minister kan bovenop de maximale subsidiebedragen in het tweede lid loon- en prijscompensatie toekennen aan de instellingen genoemd in de artikelen 2.2 tot en met 2.8.
4. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, kan de minister een subsidieplafond stellen voor categorieën van projecten.
5. Indien de minister een plafond stelt als bedoeld in het vierde lid, kan de minster een termijn van indiening bepalen. In dat geval voorziet de minister in een gelijktijdige beslissing op aanvragen met betrekking tot soortgelijke projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de projectsubsidie.