BWBR0029668
Geldig vanaf 2011-03-04
Artikel 3.4
Regeling dierlijke bijproducten 2011
1. De aangifteplichtige van categorie 1-materiaal of categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 3.1draagt er zorg voor dat het materiaal tot het moment waarop het wordt opgehaald:
a. op een zodanige manier wordt bewaard dat het materiaal niet vrij toegankelijk is voor anderen dan de aangifteplichtige en de ondernemer die het materiaal ophaalt;
b. voor zover het kadavers betreft, het materiaal op een zodanige manier is afgedekt dat het is onttrokken aan het oog voor passanten en niet bereikbaar is voor vogels, knaagdieren, honden en katten en de afdekking door het verwerkingsbedrijf dat het materiaal ophaalt eenvoudig te verwijderen is.
2. De aangifteplichtige draagt er zorg voor dat, wanneer materiaal overeenkomstig artikel 3.3, tweede lid, ten minste een keer in de twee weken wordt opgehaald, het materiaal tot het moment dat het wordt opgehaald, wordt bewaard:
a. bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C, voor zover het kadavers van landbouwhuisdieren als bedoeld in artikel 3, onderdeel 6, van verordening (EG) nr. 1069/2009 tot een gewicht van 25 kilogram betreft;
b. bij een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C, voor zover het bloed betreft;
c. bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C of een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C, voor zover het categorie 1-materiaal of categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 3.1 betreft, niet zijnde materiaal als bedoeld in de onderdelen a en b.
3. De aangifteplichtige draagt er zorg voor dat, wanneer materiaal overeenkomstig artikel 3.3, derde lid, ten minste een keer in de vier weken wordt opgehaald, het materiaal tot het moment dat het wordt opgehaald, wordt bewaard bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 5°C.
4. Materiaal dat ontstaat op slachterijen en dat niet op de dag waarop het is ontstaan wordt opgehaald, wordt tot het moment waarop dit materiaal wordt opgehaald bewaard:
a. bij een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C, voor zover het bloed betreft;
b. bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C of een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C, voor zover het categorie 1-materiaal of categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 3.1 betreft, niet zijnde materiaal als bedoeld in de onderdelen a en b.
a. op een zodanige manier wordt bewaard dat het materiaal niet vrij toegankelijk is voor anderen dan de aangifteplichtige en de ondernemer die het materiaal ophaalt;
b. voor zover het kadavers betreft, het materiaal op een zodanige manier is afgedekt dat het is onttrokken aan het oog voor passanten en niet bereikbaar is voor vogels, knaagdieren, honden en katten en de afdekking door het verwerkingsbedrijf dat het materiaal ophaalt eenvoudig te verwijderen is.
2. De aangifteplichtige draagt er zorg voor dat, wanneer materiaal overeenkomstig artikel 3.3, tweede lid, ten minste een keer in de twee weken wordt opgehaald, het materiaal tot het moment dat het wordt opgehaald, wordt bewaard:
a. bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C, voor zover het kadavers van landbouwhuisdieren als bedoeld in artikel 3, onderdeel 6, van verordening (EG) nr. 1069/2009 tot een gewicht van 25 kilogram betreft;
b. bij een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C, voor zover het bloed betreft;
c. bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C of een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C, voor zover het categorie 1-materiaal of categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 3.1 betreft, niet zijnde materiaal als bedoeld in de onderdelen a en b.
3. De aangifteplichtige draagt er zorg voor dat, wanneer materiaal overeenkomstig artikel 3.3, derde lid, ten minste een keer in de vier weken wordt opgehaald, het materiaal tot het moment dat het wordt opgehaald, wordt bewaard bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 5°C.
4. Materiaal dat ontstaat op slachterijen en dat niet op de dag waarop het is ontstaan wordt opgehaald, wordt tot het moment waarop dit materiaal wordt opgehaald bewaard:
a. bij een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C, voor zover het bloed betreft;
b. bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C of een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C, voor zover het categorie 1-materiaal of categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 3.1 betreft, niet zijnde materiaal als bedoeld in de onderdelen a en b.