BWBR0028904
Geldig vanaf 31-12-2010
Artikel 2:7
Regeling hybride instrumenten verzekeraars Wft 2010
1. Indien een hybride instrument indirect is uitgegeven en de emissieopbrengsten niet rechtstreeks en onmiddellijk aan de verzekeraar ter beschikking zijn gesteld, treft de verzekeraar met het oog op artikel 2:2, onderdeel a, maatregelen om het ter beschikking krijgen van de emissieopbrengsten alsnog te realiseren uiterlijk op of onmiddellijk na het tijdstip dat zich een trigger-moment voordoet.
2. Indien een hybride instrument indirect is uitgegeven en de emissieopbrengsten in de vorm van een intragroepslening ter beschikking zijn gesteld aan de verzekeraar, is uitsluitend aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 2:2, onderdeel c, voldaan, indien:
a. de verzekeraar, zodra zich een trigger-moment voordoet of zodra het eigen vermogen op de enkelvoudige balans van de verzekeraar negatief is geworden, het recht heeft om de intragroepslening om te zetten in een direct uitgegeven vermogenbestanddeel als bedoeld in artikel 95, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit, dan wel in een met een zodanig vermogensbestanddeel gelijkgesteld hybride instrument als bedoeld in deze regeling, dat als eigen vermogen in de enkelvoudige balans van de verzekeraar wordt opgenomen; en
b. de leningvoorwaarden van de intragroepslening gelijkwaardig zijn aan de voorwaarden van het indirect uitgegeven hybride instrument, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 2:2, onderdeel c, de looptijd van de intragroepslening minimaal 30 jaar is en de intragroepslening aan het einde van die looptijd slechts na voorafgaande toestemming van DNB kan worden afgelost.
3. Indien sprake is van een feitelijke onmogelijkheid om in de automatische conversie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, te voorzien dan legt de verzekeraar een andere wijze om in de conversie te voorzien ter goedkeuring aan DNB voor.
2. Indien een hybride instrument indirect is uitgegeven en de emissieopbrengsten in de vorm van een intragroepslening ter beschikking zijn gesteld aan de verzekeraar, is uitsluitend aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 2:2, onderdeel c, voldaan, indien:
a. de verzekeraar, zodra zich een trigger-moment voordoet of zodra het eigen vermogen op de enkelvoudige balans van de verzekeraar negatief is geworden, het recht heeft om de intragroepslening om te zetten in een direct uitgegeven vermogenbestanddeel als bedoeld in artikel 95, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit, dan wel in een met een zodanig vermogensbestanddeel gelijkgesteld hybride instrument als bedoeld in deze regeling, dat als eigen vermogen in de enkelvoudige balans van de verzekeraar wordt opgenomen; en
b. de leningvoorwaarden van de intragroepslening gelijkwaardig zijn aan de voorwaarden van het indirect uitgegeven hybride instrument, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 2:2, onderdeel c, de looptijd van de intragroepslening minimaal 30 jaar is en de intragroepslening aan het einde van die looptijd slechts na voorafgaande toestemming van DNB kan worden afgelost.
3. Indien sprake is van een feitelijke onmogelijkheid om in de automatische conversie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, te voorzien dan legt de verzekeraar een andere wijze om in de conversie te voorzien ter goedkeuring aan DNB voor.
- Citeren als
- Art. 2:7
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028904
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl