BWBR0028904
Geldig vanaf 31-12-2010
Artikel 2:2
Regeling hybride instrumenten verzekeraars Wft 2010
Hybride instrumenten kunnen uitsluitend voor de berekening, bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, als vermogenbestanddeel in aanmerking worden genomen, indien:
a. het aan de hybride instrumenten verbonden kapitaal op permanente basis door derden is verstrekt;
b. zij zijn geplaatst en volgestort;
c. zij de verzekeraar de mogelijkheid verschaffen om verliezen op te vangen, terwijl de verzekeraar haar werkzaamheden kan voortzetten;
d. de verzekeraar volledige zeggenschap heeft over de omvang en het tijdstip van de uitkeringen op de hybride instrumenten;
e. de daaraan verbonden vorderingen van crediteuren volledig achtergesteld zijn bij die van andere crediteuren, daaronder in ieder geval begrepen de crediteuren, bedoeld in artikel 96, onderdeel b, van het Besluit, zonder dat de verzekeraar of een daarmee verbonden partij de feitelijke mogelijkheid of contractuele bevoegdheid heeft om de rangorde van de aan de hybride instrumenten verbonden vorderingen jegens die andere crediteuren te verbeteren;
f. daaraan geen cumulatieve preferenties zijn verbonden, daaronder mede begrepen elke contractuele bevoegdheid of elke feitelijke mogelijkheid die aan de houders de bevoegdheid verleent om een gepasseerde of opgeschorte dividend- of couponbetaling op de hybride instrumenten op een later tijdstip in te halen; en
g. daaraan geen calloptie zijn verbonden, daaronder mede begrepen elke contractuele of feitelijke mogelijkheid tot verwerving van hybride instrumenten door een entiteit die met de verzekeraar in een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is verbonden.
a. het aan de hybride instrumenten verbonden kapitaal op permanente basis door derden is verstrekt;
b. zij zijn geplaatst en volgestort;
c. zij de verzekeraar de mogelijkheid verschaffen om verliezen op te vangen, terwijl de verzekeraar haar werkzaamheden kan voortzetten;
d. de verzekeraar volledige zeggenschap heeft over de omvang en het tijdstip van de uitkeringen op de hybride instrumenten;
e. de daaraan verbonden vorderingen van crediteuren volledig achtergesteld zijn bij die van andere crediteuren, daaronder in ieder geval begrepen de crediteuren, bedoeld in artikel 96, onderdeel b, van het Besluit, zonder dat de verzekeraar of een daarmee verbonden partij de feitelijke mogelijkheid of contractuele bevoegdheid heeft om de rangorde van de aan de hybride instrumenten verbonden vorderingen jegens die andere crediteuren te verbeteren;
f. daaraan geen cumulatieve preferenties zijn verbonden, daaronder mede begrepen elke contractuele bevoegdheid of elke feitelijke mogelijkheid die aan de houders de bevoegdheid verleent om een gepasseerde of opgeschorte dividend- of couponbetaling op de hybride instrumenten op een later tijdstip in te halen; en
g. daaraan geen calloptie zijn verbonden, daaronder mede begrepen elke contractuele of feitelijke mogelijkheid tot verwerving van hybride instrumenten door een entiteit die met de verzekeraar in een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is verbonden.
- Citeren als
- Art. 2:2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028904
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl