BWBR0028904
Geldig vanaf 31-12-2010
Artikel 2:5
Regeling hybride instrumenten verzekeraars Wft 2010
1. Een aan een hybride instrument verbonden calloptie is niet in strijd met artikel 2:2, onderdeel g, indien de calloptie slechts uitoefenbaar is op initiatief van de verzekeraar, na minimaal 5 jaar gerekend vanaf de uitgiftedatum en met toestemming van DNB.
2. De toestemming van DNB, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verleend, indien na de uitoefening van de calloptie vervangend kapitaal, bestaande uit een ander financieel instrument van gelijke of hogere kwaliteit, aanwezig is respectievelijk onverwijld beschikbaar komt.
3. In afwijking van het tweede lid, kan DNB de toestemming verlenen zonder dat kwalificerend vervangend kapitaal aanwezig is of onverwijld beschikbaar komt, indien DNB van oordeel is dat de omvang van het resterende vermogen van waaruit het hybride instrument bij uitoefening van de calloptie zal worden onttrokken, op prudente afstand blijft boven het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, bedoeld in de artikelen 65 tot en met 68 van het Besluit.
2. De toestemming van DNB, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verleend, indien na de uitoefening van de calloptie vervangend kapitaal, bestaande uit een ander financieel instrument van gelijke of hogere kwaliteit, aanwezig is respectievelijk onverwijld beschikbaar komt.
3. In afwijking van het tweede lid, kan DNB de toestemming verlenen zonder dat kwalificerend vervangend kapitaal aanwezig is of onverwijld beschikbaar komt, indien DNB van oordeel is dat de omvang van het resterende vermogen van waaruit het hybride instrument bij uitoefening van de calloptie zal worden onttrokken, op prudente afstand blijft boven het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge, bedoeld in de artikelen 65 tot en met 68 van het Besluit.
- Citeren als
- Art. 2:5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028904
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl