BWBR0028402
Geldig vanaf 2010-09-24
Artikel 3
Beleidsregel bevoegdheid graadverlening hoger onderwijs
1. De minister verleent uitsluitend toestemming, indien hij naar aanleiding van de aanvraag en mede op grond van het advies van de inspectie van oordeel is dat:
a. de financiële en bestuurlijke continuïteit van de aanvrager alsmede de kwaliteit van het door de aanvrager te verzorgen onderwijs in voldoende mate zijn gewaarborgd en
b. de naleving door de aanvrager van de wettelijke voorschriften inzake de persoonlijke ontplooiing van de studenten en hun maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef, de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens , de vooropleidingseisen, het gebruik van het persoonsgebonden nummer, het verstrekken aan de Minister van de nodige inlichtingen omtrent de rechtspersoon en het voeren van de naam universiteit en hogeschool en het verlenen van graden en titels in voldoende mate is gewaarborgd.
2. De minister verleent, na advies van de commissie van advies, genoemd in artikel 6.11, eerste lid, van de wet, geen toestemming indien de naleving van artikel 1.3, vijfde lid, van de wet, onvoldoende is gewaarborgd.
3. Voor een positief oordeel als bedoeld in het eerste lid dient in ieder geval te worden voldaan aan de volgende eisen:
a. de aanvrager is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;
b. het accreditatieorgaan heeft met betrekking tot de opleiding waarop de aanvraag betrekking heeft een positief besluit genomen over de verzwaarde toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, onderdeel d, van de wet.
4. Ingeval van een aanvraag van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid niet zijnde een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel aa, van de wet, die een geaccrediteerde opleiding overgedragen krijgt van een rechtspersoon voor hoger onderwijs, is de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, niet van toepassing.
5. Het derde lid, onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van de continuïteit van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 6.10, eerste lid.
a. de financiële en bestuurlijke continuïteit van de aanvrager alsmede de kwaliteit van het door de aanvrager te verzorgen onderwijs in voldoende mate zijn gewaarborgd en
b. de naleving door de aanvrager van de wettelijke voorschriften inzake de persoonlijke ontplooiing van de studenten en hun maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef, de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens , de vooropleidingseisen, het gebruik van het persoonsgebonden nummer, het verstrekken aan de Minister van de nodige inlichtingen omtrent de rechtspersoon en het voeren van de naam universiteit en hogeschool en het verlenen van graden en titels in voldoende mate is gewaarborgd.
2. De minister verleent, na advies van de commissie van advies, genoemd in artikel 6.11, eerste lid, van de wet, geen toestemming indien de naleving van artikel 1.3, vijfde lid, van de wet, onvoldoende is gewaarborgd.
3. Voor een positief oordeel als bedoeld in het eerste lid dient in ieder geval te worden voldaan aan de volgende eisen:
a. de aanvrager is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;
b. het accreditatieorgaan heeft met betrekking tot de opleiding waarop de aanvraag betrekking heeft een positief besluit genomen over de verzwaarde toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, onderdeel d, van de wet.
4. Ingeval van een aanvraag van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid niet zijnde een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel aa, van de wet, die een geaccrediteerde opleiding overgedragen krijgt van een rechtspersoon voor hoger onderwijs, is de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, niet van toepassing.
5. Het derde lid, onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van de continuïteit van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 6.10, eerste lid.