BWBR0028050
Geldig vanaf 18-08-2010
Artikel 3
Beleidsregels aanwijzing kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag 2010−2015 (artikel 2.42 Mediawet)
1. Aanvragen voor aanwijzing voor het verzorgen van media-aanbod krachtens artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet kunnen uitsluitend worden gedaan ten behoeve van een van de zeven hoofdstromingen als bedoeld in artikel 2, lid 2, van deze Beleidregels, door kerkgenootschappen of genootschappen op geestelijke grondslag dan wel door rechtspersonen waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken.
2. De aanvrager toont ten genoegen van het Commissariaat aan dat hij representatief is, en voor zover nodig meer representatief is dan de andere aanvrager(s), voor de hoofdstroming waarvoor hij de aanwijzing krachtens artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet aanvraagt.
3. De aanvrager doet zijn aanvrage vergezeld gaan van een gemotiveerde, zo nauwkeurig mogelijke, betrouwbare en valide opgave van het aantal personen dat in Nederland redelijkerwijs geacht kan worden te behoren tot de hoofdstroming waarvoor de aanwijzing krachtens artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet wordt aangevraagd.
4. De aanvrager doet zijn aanvrage vergezeld gaan van een nauwkeurige beschrijving van de governance-structuur van de instelling die het media-aanbod verzorgt en uitzendt. De aanvrager toont ten genoegen van het Commissariaat aan dat die instelling voldoet aan de eisen aangaande goed bestuur en toezicht, verantwoording, transparantie en integriteit.
5. De aanvrager doet zijn aanvrage vergezeld gaan van een nauwkeurige beschrijving van de administratieve organisatie van de instelling die het media-aanbod verzorgt en uitzendt. De aanvrager toont ten genoegen van het Commissariaat aan dat door functiescheiding de rechtmatige besteding van de omroepmiddelen is gewaarborgd.
6. Indien ten behoeve van een hoofdstroming twee of meer aanvragers die voor deze hoofdstroming representatief geacht kunnen worden, een aanvrage voor media-aanbod krachtens artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet doen, dan bevordert het Commissariaat krachtens artikel 2.45, eerste lid, van de Mediawet samenwerking door of samengaan van de aanvragers.
7. Indien de in lid 6 bedoelde samenwerking of het in lid 6 bedoelde samengaan binnen een door het Commissariaat gestelde termijn niet tot stand komt dan kan het Commissariaat besluiten de aanvrager die blijkens de getalsmatige grootte van zijn achterban voor de hoofdstroming het meest representatief is, aan te wijzen voor het verzorgen van media-aanbod als bedoeld in artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet.
8. Indien tijdens de looptijd van de aanwijzing de in lid 6 bedoelde samenwerking of het in lid 6 bedoelde samengaan naar het oordeel van het Commissariaat zonder goede grond is beëindigd, dan trekt het Commissariaat de aanwijzing in.
2. De aanvrager toont ten genoegen van het Commissariaat aan dat hij representatief is, en voor zover nodig meer representatief is dan de andere aanvrager(s), voor de hoofdstroming waarvoor hij de aanwijzing krachtens artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet aanvraagt.
3. De aanvrager doet zijn aanvrage vergezeld gaan van een gemotiveerde, zo nauwkeurig mogelijke, betrouwbare en valide opgave van het aantal personen dat in Nederland redelijkerwijs geacht kan worden te behoren tot de hoofdstroming waarvoor de aanwijzing krachtens artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet wordt aangevraagd.
4. De aanvrager doet zijn aanvrage vergezeld gaan van een nauwkeurige beschrijving van de governance-structuur van de instelling die het media-aanbod verzorgt en uitzendt. De aanvrager toont ten genoegen van het Commissariaat aan dat die instelling voldoet aan de eisen aangaande goed bestuur en toezicht, verantwoording, transparantie en integriteit.
5. De aanvrager doet zijn aanvrage vergezeld gaan van een nauwkeurige beschrijving van de administratieve organisatie van de instelling die het media-aanbod verzorgt en uitzendt. De aanvrager toont ten genoegen van het Commissariaat aan dat door functiescheiding de rechtmatige besteding van de omroepmiddelen is gewaarborgd.
6. Indien ten behoeve van een hoofdstroming twee of meer aanvragers die voor deze hoofdstroming representatief geacht kunnen worden, een aanvrage voor media-aanbod krachtens artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet doen, dan bevordert het Commissariaat krachtens artikel 2.45, eerste lid, van de Mediawet samenwerking door of samengaan van de aanvragers.
7. Indien de in lid 6 bedoelde samenwerking of het in lid 6 bedoelde samengaan binnen een door het Commissariaat gestelde termijn niet tot stand komt dan kan het Commissariaat besluiten de aanvrager die blijkens de getalsmatige grootte van zijn achterban voor de hoofdstroming het meest representatief is, aan te wijzen voor het verzorgen van media-aanbod als bedoeld in artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet.
8. Indien tijdens de looptijd van de aanwijzing de in lid 6 bedoelde samenwerking of het in lid 6 bedoelde samengaan naar het oordeel van het Commissariaat zonder goede grond is beëindigd, dan trekt het Commissariaat de aanwijzing in.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0028050
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl