Artikel 1
1. Op grond van artikel 2.42, eerste lid, van de Mediawet kan het Commissariaat voor de Media eenmaal in de vijf jaren voor een periode van vijf jaren kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag of rechtspersonen waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken, aanwijzen voor het verzorgen van media-aanbod op kerkelijk of geestelijk terrein.
2. De hoeveelheid uren die voor de genootschappen als bedoeld in lid 1 beschikbaar is, wordt krachtens artikel 2.48 van de Mediawet jaarlijks vastgesteld door de Minister.
3. Voor aanwijzing komen krachtens artikel 2.42, tweede lid, van de Mediawet slechts in aanmerking genootschappen als bedoeld in lid 1 die representatief geacht kunnen worden voor een in Nederland aanwezige kerkelijke of geestelijke hoofdstroming.
4. De genootschappen zijn krachtens artikel 2.49, derde lid, van de Mediawet gerechtigd de verzorging van hun media-aanbod op te dragen aan een door hen opgericht uitvoeringsorgaan.
2. De hoeveelheid uren die voor de genootschappen als bedoeld in lid 1 beschikbaar is, wordt krachtens artikel 2.48 van de Mediawet jaarlijks vastgesteld door de Minister.
3. Voor aanwijzing komen krachtens artikel 2.42, tweede lid, van de Mediawet slechts in aanmerking genootschappen als bedoeld in lid 1 die representatief geacht kunnen worden voor een in Nederland aanwezige kerkelijke of geestelijke hoofdstroming.
4. De genootschappen zijn krachtens artikel 2.49, derde lid, van de Mediawet gerechtigd de verzorging van hun media-aanbod op te dragen aan een door hen opgericht uitvoeringsorgaan.