BWBR0027876
Geldig vanaf 2010-07-09
Artikel 4
Mandaatbesluit dienstonderdelen openbaar ministerie 2009 (overige dienstonderdelen)
Het hoofd van dienst is gehouden bij het uitoefenen van bevoegdheden:
1) Indien en voor zover het betreft de onderdelen bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef, onderdelen c, d, e en f, gebruik te maken van de ondersteuning die door de directeur bedrijfsvoering wordt gegeven met inachtneming van het model van de regeling ‘mandaatbesluit openbaar ministerie (directeur bedrijfsvoering overige OM onderdelen) 2009’;
2) De verplichting na te leven tot het vaststellen van de hoofdlijnen van arbeidsomstandighedenbeleid gericht op het bevorderen van een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het welzijn van de binnen zijn gezagsbereik werkzame ambtenaren in verband met de arbeid.
3) Een formatiebeheer te voeren dat in overeenstemming is met het justitiebrede beleid. a) Het formatiebeheer dient gericht te zijn op de bewaking en bevordering van het effectief en doelmatig toedelen en inzetten van personele capaciteit.
b) Het mandaat ten aanzien van het formatiebeheer geldt voor alle functies die vallen onder het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en het Besluit bezoldiging politie.
c) Voor het waarderen van deze functies wordt het binnen Justitie geldende functiewaarderingssysteem (Fuwasys en Fuwapol) gehanteerd inclusief het daarin vervatte normmateriaal.
d) De waardering van functies vindt plaats op grond van een functiewaarderingsadvies van een deskundige op het terrein van Fuwasys en/of Fuwapol.
e) Van het organisatie en formatiemandaat zijn uitgesloten: i) De vaststelling van de organisatie en formatie van de managementfuncties vanaf schaal 14 en hoger;
ii) Alle overige functies van schaal 14 en hoger.
i) De vaststelling van de organisatie en formatie van de managementfuncties vanaf schaal 14 en hoger;
ii) Alle overige functies van schaal 14 en hoger.
a) Het formatiebeheer dient gericht te zijn op de bewaking en bevordering van het effectief en doelmatig toedelen en inzetten van personele capaciteit.
b) Het mandaat ten aanzien van het formatiebeheer geldt voor alle functies die vallen onder het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en het Besluit bezoldiging politie.
c) Voor het waarderen van deze functies wordt het binnen Justitie geldende functiewaarderingssysteem (Fuwasys en Fuwapol) gehanteerd inclusief het daarin vervatte normmateriaal.
d) De waardering van functies vindt plaats op grond van een functiewaarderingsadvies van een deskundige op het terrein van Fuwasys en/of Fuwapol.
e) Van het organisatie en formatiemandaat zijn uitgesloten: i) De vaststelling van de organisatie en formatie van de managementfuncties vanaf schaal 14 en hoger;
ii) Alle overige functies van schaal 14 en hoger.
i) De vaststelling van de organisatie en formatie van de managementfuncties vanaf schaal 14 en hoger;
ii) Alle overige functies van schaal 14 en hoger.
4) Van het beheer-, budget- en personeelsmandaat zijn uitgesloten: a) Besluiten en/of handelingen die neer worden gelegd in een document gericht aan de Koningin, de Ministerraad, de Raad voor de Rijksdienst, de Voorzitter van Eerste Kamer, de Voorzitter van de Tweede Kamer, de Vice President van de Raad van State en de President van de Algemene Rekenkamer.
b) Het nemen van besluiten met rechtspositionele gevolgen ten aanzien van: i) De rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salariscategorie 9 en hoger als bedoeld in artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en;
ii) De niet rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, respectievelijk salarisschaal 14 en hoger van het Besluit bezoldiging politie.
i) De rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salariscategorie 9 en hoger als bedoeld in artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en;
ii) De niet rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, respectievelijk salarisschaal 14 en hoger van het Besluit bezoldiging politie.
c) Het verlenen van ontslag op grond van de artikelen 99 van het Algemeen rijksambtenarenreglement, artikel 95 van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 36b van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
a) Besluiten en/of handelingen die neer worden gelegd in een document gericht aan de Koningin, de Ministerraad, de Raad voor de Rijksdienst, de Voorzitter van Eerste Kamer, de Voorzitter van de Tweede Kamer, de Vice President van de Raad van State en de President van de Algemene Rekenkamer.
b) Het nemen van besluiten met rechtspositionele gevolgen ten aanzien van: i) De rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salariscategorie 9 en hoger als bedoeld in artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en;
ii) De niet rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, respectievelijk salarisschaal 14 en hoger van het Besluit bezoldiging politie.
i) De rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salariscategorie 9 en hoger als bedoeld in artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en;
ii) De niet rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, respectievelijk salarisschaal 14 en hoger van het Besluit bezoldiging politie.
c) Het verlenen van ontslag op grond van de artikelen 99 van het Algemeen rijksambtenarenreglement, artikel 95 van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 36b van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
5) Van het beheer-, budget-, personeels-, en formatiemandaat wordt gebruik gemaakt met inachtneming van: a) de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht;
b) de Comptabiliteitswet;
c) de arbeidsvoorwaardelijke en rechtspositionele regels zoals die gelden in de sector rijk, de sector rechterlijke macht of de sector politie;
d) de algemeen geldende regels zoals die binnen het openbaar ministerie gelden, en;
e) de specifieke beleidsregels zoals die gelden binnen het dienstonderdeel.
a) de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht;
b) de Comptabiliteitswet;
c) de arbeidsvoorwaardelijke en rechtspositionele regels zoals die gelden in de sector rijk, de sector rechterlijke macht of de sector politie;
d) de algemeen geldende regels zoals die binnen het openbaar ministerie gelden, en;
e) de specifieke beleidsregels zoals die gelden binnen het dienstonderdeel.
6) Het hoofd van dienst legt over het gevoerde beheer verantwoording af aan het College.
7) Het hoofd van dienst is gehouden schriftelijke beslissingen die op grond van het budgetmandaat, organisatie en formatiemandaat, beheermandaat, personeelsmandaat en mandaat arbeidsomstandigheden worden genomen, als volgt te ondertekenen: ‘De Minister van Justitie’ ‘namens deze,’ ‘naam ondertekenaar’ ‘functie ondertekenaar’.
1) Indien en voor zover het betreft de onderdelen bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef, onderdelen c, d, e en f, gebruik te maken van de ondersteuning die door de directeur bedrijfsvoering wordt gegeven met inachtneming van het model van de regeling ‘mandaatbesluit openbaar ministerie (directeur bedrijfsvoering overige OM onderdelen) 2009’;
2) De verplichting na te leven tot het vaststellen van de hoofdlijnen van arbeidsomstandighedenbeleid gericht op het bevorderen van een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het welzijn van de binnen zijn gezagsbereik werkzame ambtenaren in verband met de arbeid.
3) Een formatiebeheer te voeren dat in overeenstemming is met het justitiebrede beleid. a) Het formatiebeheer dient gericht te zijn op de bewaking en bevordering van het effectief en doelmatig toedelen en inzetten van personele capaciteit.
b) Het mandaat ten aanzien van het formatiebeheer geldt voor alle functies die vallen onder het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en het Besluit bezoldiging politie.
c) Voor het waarderen van deze functies wordt het binnen Justitie geldende functiewaarderingssysteem (Fuwasys en Fuwapol) gehanteerd inclusief het daarin vervatte normmateriaal.
d) De waardering van functies vindt plaats op grond van een functiewaarderingsadvies van een deskundige op het terrein van Fuwasys en/of Fuwapol.
e) Van het organisatie en formatiemandaat zijn uitgesloten: i) De vaststelling van de organisatie en formatie van de managementfuncties vanaf schaal 14 en hoger;
ii) Alle overige functies van schaal 14 en hoger.
i) De vaststelling van de organisatie en formatie van de managementfuncties vanaf schaal 14 en hoger;
ii) Alle overige functies van schaal 14 en hoger.
a) Het formatiebeheer dient gericht te zijn op de bewaking en bevordering van het effectief en doelmatig toedelen en inzetten van personele capaciteit.
b) Het mandaat ten aanzien van het formatiebeheer geldt voor alle functies die vallen onder het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en het Besluit bezoldiging politie.
c) Voor het waarderen van deze functies wordt het binnen Justitie geldende functiewaarderingssysteem (Fuwasys en Fuwapol) gehanteerd inclusief het daarin vervatte normmateriaal.
d) De waardering van functies vindt plaats op grond van een functiewaarderingsadvies van een deskundige op het terrein van Fuwasys en/of Fuwapol.
e) Van het organisatie en formatiemandaat zijn uitgesloten: i) De vaststelling van de organisatie en formatie van de managementfuncties vanaf schaal 14 en hoger;
ii) Alle overige functies van schaal 14 en hoger.
i) De vaststelling van de organisatie en formatie van de managementfuncties vanaf schaal 14 en hoger;
ii) Alle overige functies van schaal 14 en hoger.
4) Van het beheer-, budget- en personeelsmandaat zijn uitgesloten: a) Besluiten en/of handelingen die neer worden gelegd in een document gericht aan de Koningin, de Ministerraad, de Raad voor de Rijksdienst, de Voorzitter van Eerste Kamer, de Voorzitter van de Tweede Kamer, de Vice President van de Raad van State en de President van de Algemene Rekenkamer.
b) Het nemen van besluiten met rechtspositionele gevolgen ten aanzien van: i) De rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salariscategorie 9 en hoger als bedoeld in artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en;
ii) De niet rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, respectievelijk salarisschaal 14 en hoger van het Besluit bezoldiging politie.
i) De rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salariscategorie 9 en hoger als bedoeld in artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en;
ii) De niet rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, respectievelijk salarisschaal 14 en hoger van het Besluit bezoldiging politie.
c) Het verlenen van ontslag op grond van de artikelen 99 van het Algemeen rijksambtenarenreglement, artikel 95 van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 36b van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
a) Besluiten en/of handelingen die neer worden gelegd in een document gericht aan de Koningin, de Ministerraad, de Raad voor de Rijksdienst, de Voorzitter van Eerste Kamer, de Voorzitter van de Tweede Kamer, de Vice President van de Raad van State en de President van de Algemene Rekenkamer.
b) Het nemen van besluiten met rechtspositionele gevolgen ten aanzien van: i) De rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salariscategorie 9 en hoger als bedoeld in artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en;
ii) De niet rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, respectievelijk salarisschaal 14 en hoger van het Besluit bezoldiging politie.
i) De rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salariscategorie 9 en hoger als bedoeld in artikel 7 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, en;
ii) De niet rechterlijke ambtenaren, bezoldigd volgens salarisschaal 14 en hoger van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, respectievelijk salarisschaal 14 en hoger van het Besluit bezoldiging politie.
c) Het verlenen van ontslag op grond van de artikelen 99 van het Algemeen rijksambtenarenreglement, artikel 95 van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 36b van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
5) Van het beheer-, budget-, personeels-, en formatiemandaat wordt gebruik gemaakt met inachtneming van: a) de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht;
b) de Comptabiliteitswet;
c) de arbeidsvoorwaardelijke en rechtspositionele regels zoals die gelden in de sector rijk, de sector rechterlijke macht of de sector politie;
d) de algemeen geldende regels zoals die binnen het openbaar ministerie gelden, en;
e) de specifieke beleidsregels zoals die gelden binnen het dienstonderdeel.
a) de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht;
b) de Comptabiliteitswet;
c) de arbeidsvoorwaardelijke en rechtspositionele regels zoals die gelden in de sector rijk, de sector rechterlijke macht of de sector politie;
d) de algemeen geldende regels zoals die binnen het openbaar ministerie gelden, en;
e) de specifieke beleidsregels zoals die gelden binnen het dienstonderdeel.
6) Het hoofd van dienst legt over het gevoerde beheer verantwoording af aan het College.
7) Het hoofd van dienst is gehouden schriftelijke beslissingen die op grond van het budgetmandaat, organisatie en formatiemandaat, beheermandaat, personeelsmandaat en mandaat arbeidsomstandigheden worden genomen, als volgt te ondertekenen: ‘De Minister van Justitie’ ‘namens deze,’ ‘naam ondertekenaar’ ‘functie ondertekenaar’.