BWBR0027601
Geldig vanaf 2010-04-30
Artikel 5
Besluit experiment excellentie in het hoger onderwijs
1. Onze Minister kan op aanvraag van het instellingsbestuur goedkeuren dat in afwijking van artikel 7.43 van de weteen hoger collegegeld ten aanzien van een of meer masteropleidingen wordt vastgesteld.
2. Onze Minister keurt een hoger collegegeld voor een of meer masteropleidingen uitsluitend goed, indien het instellingsbestuur aannemelijk heeft gemaakt dat:
a. er een relatie is tussen de verhoging van het collegegeld en de doelstelling van het experiment, bedoeld in artikel 2;
b. er een relatie is tussen de verhoging van het collegegeld en de opzet en inhoud van de masteropleiding; en
c. de instelling een op excellentie in het hoger onderwijs gericht instellingsbreed project zal verzorgen.
3. Onze Minister kan de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval intrekken indien:
a. de instelling niet langer een door Onze Minister gesubsidieerd, op excellentie in het hoger onderwijs gericht, instellingsbreed project verzorgt; of
b. de selectie naar het oordeel van Onze Minister niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, onder a en b.
4. Voor de masteropleidingen, bedoeld in het eerste lid, geldt dat het instellingsbestuur een collegegeld vaststelt van minimaal het wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.43 van de wet, en ten hoogste vijf maal dit collegegeld.
5. Het instellingsbestuur kan op aanvraag van een student gehele of gedeeltelijke dispensatie van betaling van het hogere collegegeld, bedoeld in het eerste lid, verlenen.
6. Het instellingsbestuur stelt een regeling vast ter gehele of gedeeltelijke dispensatie van betaling van het hogere collegegeld.
2. Onze Minister keurt een hoger collegegeld voor een of meer masteropleidingen uitsluitend goed, indien het instellingsbestuur aannemelijk heeft gemaakt dat:
a. er een relatie is tussen de verhoging van het collegegeld en de doelstelling van het experiment, bedoeld in artikel 2;
b. er een relatie is tussen de verhoging van het collegegeld en de opzet en inhoud van de masteropleiding; en
c. de instelling een op excellentie in het hoger onderwijs gericht instellingsbreed project zal verzorgen.
3. Onze Minister kan de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval intrekken indien:
a. de instelling niet langer een door Onze Minister gesubsidieerd, op excellentie in het hoger onderwijs gericht, instellingsbreed project verzorgt; of
b. de selectie naar het oordeel van Onze Minister niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, onder a en b.
4. Voor de masteropleidingen, bedoeld in het eerste lid, geldt dat het instellingsbestuur een collegegeld vaststelt van minimaal het wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.43 van de wet, en ten hoogste vijf maal dit collegegeld.
5. Het instellingsbestuur kan op aanvraag van een student gehele of gedeeltelijke dispensatie van betaling van het hogere collegegeld, bedoeld in het eerste lid, verlenen.
6. Het instellingsbestuur stelt een regeling vast ter gehele of gedeeltelijke dispensatie van betaling van het hogere collegegeld.