BWBR0027601
Geldig vanaf 2010-04-30
Artikel 3
Besluit experiment excellentie in het hoger onderwijs
1. Onverminderd artikel 7.37, eerste lid, van de wetkan Onze Minister op aanvraag van het instellingsbestuur goedkeuren dat ten aanzien van een of meer bacheloropleidingen selectie plaatsvindt van de gegadigden voor inschrijving aan die bacheloropleidingen.
2. Indien een goedkeuring als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een bacheloropleiding waarvoor een toelatingsbeperking als bedoeld in de artikelen 7.53, 7.55en 7.56 van de wetvan kracht is, blijft hoofdstuk 7, titel 3, paragraaf 4a, van de wetbuiten toepassing.
3. Onze Minister keurt selectie voor een of meer bacheloropleidingen uitsluitend goed, indien de instelling aannemelijk heeft gemaakt dat:
a. er een relatie is tussen de selectie van de gegadigden en de doelstelling van het experiment, bedoeld in artikel 2;
b. er een relatie is tussen de te hanteren selectiecriteria en de opzet en inhoud van de bacheloropleiding;
c. selectie van de gegadigden voor inschrijving voor de bacheloropleiding de voorkeur heeft boven selectie van studenten na inschrijving voor de bacheloropleiding; en
d. de instelling een op excellentie in het hoger onderwijs gericht instellingsbreed project zal verzorgen.
4. Onze Minister kan de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval intrekken indien:
a. de instelling niet langer een door Onze Minister gesubsidieerd, op excellentie in het hoger onderwijs gericht, instellingsbreed project verzorgt; of
b. de selectie naar het oordeel van Onze Minister niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in het derde lid, onder a tot en met c.
5. Het instellingsbestuur stelt de selectiecriteria vast.
6. Het instellingsbestuur voert de selectie voorafgaand aan de aanvang van het studiejaar uit.
7. De selectiecriteria en de selectieprocedure worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13 van de wet.
2. Indien een goedkeuring als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een bacheloropleiding waarvoor een toelatingsbeperking als bedoeld in de artikelen 7.53, 7.55en 7.56 van de wetvan kracht is, blijft hoofdstuk 7, titel 3, paragraaf 4a, van de wetbuiten toepassing.
3. Onze Minister keurt selectie voor een of meer bacheloropleidingen uitsluitend goed, indien de instelling aannemelijk heeft gemaakt dat:
a. er een relatie is tussen de selectie van de gegadigden en de doelstelling van het experiment, bedoeld in artikel 2;
b. er een relatie is tussen de te hanteren selectiecriteria en de opzet en inhoud van de bacheloropleiding;
c. selectie van de gegadigden voor inschrijving voor de bacheloropleiding de voorkeur heeft boven selectie van studenten na inschrijving voor de bacheloropleiding; en
d. de instelling een op excellentie in het hoger onderwijs gericht instellingsbreed project zal verzorgen.
4. Onze Minister kan de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval intrekken indien:
a. de instelling niet langer een door Onze Minister gesubsidieerd, op excellentie in het hoger onderwijs gericht, instellingsbreed project verzorgt; of
b. de selectie naar het oordeel van Onze Minister niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in het derde lid, onder a tot en met c.
5. Het instellingsbestuur stelt de selectiecriteria vast.
6. Het instellingsbestuur voert de selectie voorafgaand aan de aanvang van het studiejaar uit.
7. De selectiecriteria en de selectieprocedure worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13 van de wet.