BWBR0027601
Geldig vanaf 2010-04-30
Artikel 4
Besluit experiment excellentie in het hoger onderwijs
1. Onze Minister kan op aanvraag van het instellingsbestuur goedkeuren dat ten aanzien van een of meer masteropleidingen als bedoeld in artikel 7.30b, eerste lid, van de wetde toelatingseisen voor die masteropleidingen tevens betrekking hebben op andere aspecten dan kennis, inzicht en vaardigheden die zijn verworven bij het beëindigen van een bacheloropleiding.
2. Onze Minister keurt aanvullende toelatingseisen voor een of meer masteropleidingen uitsluitend goed, indien het instellingsbestuur aannemelijk heeft gemaakt dat:
a. er een relatie is tussen de aanvullende toelatingseisen en de doelstelling van het experiment, bedoeld in artikel 2;
b. er een relatie is tussen de te hanteren aanvullende toelatingseisen en de opzet en inhoud van de masteropleiding;
c. selectie van de gegadigden voor inschrijving voor de masteropleiding de voorkeur heeft boven selectie van studenten na inschrijving voor de masteropleiding; en
d. de instelling een op excellentie in het hoger onderwijs gericht instellingsbreed project zal verzorgen.
3. Onze Minister kan de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval intrekken indien:
a. de instelling niet langer een door Onze Minister gesubsidieerd, op excellentie in het hoger onderwijs gericht, instellingsbreed project verzorgt; of
b. de selectie naar het oordeel van Onze Minister niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met c.
4. Het instellingsbestuur stelt de aanvullende toelatingseisen vast.
5. Het instellingsbestuur beslist voorafgaand aan een studiejaar of een student voldoet aan de aanvullende toelatingseisen.
6. De aanvullende toelatingseisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13 van de wet.
2. Onze Minister keurt aanvullende toelatingseisen voor een of meer masteropleidingen uitsluitend goed, indien het instellingsbestuur aannemelijk heeft gemaakt dat:
a. er een relatie is tussen de aanvullende toelatingseisen en de doelstelling van het experiment, bedoeld in artikel 2;
b. er een relatie is tussen de te hanteren aanvullende toelatingseisen en de opzet en inhoud van de masteropleiding;
c. selectie van de gegadigden voor inschrijving voor de masteropleiding de voorkeur heeft boven selectie van studenten na inschrijving voor de masteropleiding; en
d. de instelling een op excellentie in het hoger onderwijs gericht instellingsbreed project zal verzorgen.
3. Onze Minister kan de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval intrekken indien:
a. de instelling niet langer een door Onze Minister gesubsidieerd, op excellentie in het hoger onderwijs gericht, instellingsbreed project verzorgt; of
b. de selectie naar het oordeel van Onze Minister niet meer voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met c.
4. Het instellingsbestuur stelt de aanvullende toelatingseisen vast.
5. Het instellingsbestuur beslist voorafgaand aan een studiejaar of een student voldoet aan de aanvullende toelatingseisen.
6. De aanvullende toelatingseisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13 van de wet.