BWBR0027439
Geldig vanaf 2010-03-30
Artikel 4
Regeling groenprojecten 2010
1. Een verklaring wordt niet afgegeven op aanvragen voor:
a. een bestaand project;
b. een project, waarvan het projectvermogen minder bedraagt dan € 25.000;
c. een project, indien dit tot gevolg zou hebben dat op een woning gelijktijdig een verklaring op grond van artikel 2, onderdeel h, onder 3° en een verklaring op grond van artikel 2, onderdeel h, onder 4° van toepassing zou zijn;
d. een project, indien dit tot gevolg zou hebben dat op een bouwwerk gelijktijdig een verklaring op grond van artikel 2, onderdeel h, onder 5° en een verklaring op grond van artikel 2, onderdeel g of k, van toepassing zou zijn;
e. een project in artikel 2, onderdeel h, onder 7° met een investeringsomvang van minder dan € 100 000;
f. een project waarvoor, vanwege toekenning van een financieel of ander voordeel door de overheid of de Commissie van de Europese Gemeenschappen uit andere hoofde dan op grond van deze regeling, een zodanig voordeel ontstaat dat het totale toegestane voordeel op grond van communautaire regelgeving zou overschrijden;
g. een project waarvan het niet aannemelijk is dat het enig eigen rendement heeft, subsidies van overheden en convenantsmiddelen daaronder begrepen;
h. een project waarvan het te verwachten economisch rendement van het project in verhouding tot het risico zodanig is dat het zonder toepassing van de regeling tot stand kan komen.
2. Geen verklaring wordt afgegeven indien de aanvrager, na daartoe een verzoek ontvangen te hebben, niet binnen de gestelde termijn de gegevens verstrekt die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van een project.
3. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, onder 1° en 2°.
4. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel f.3°, f.4°, g.1°, g4° of g5°, die worden uitgevoerd op of aan een woning en die worden uitgevoerd voor rekening en risico van de eigenaar-bewoner.
a. een bestaand project;
b. een project, waarvan het projectvermogen minder bedraagt dan € 25.000;
c. een project, indien dit tot gevolg zou hebben dat op een woning gelijktijdig een verklaring op grond van artikel 2, onderdeel h, onder 3° en een verklaring op grond van artikel 2, onderdeel h, onder 4° van toepassing zou zijn;
d. een project, indien dit tot gevolg zou hebben dat op een bouwwerk gelijktijdig een verklaring op grond van artikel 2, onderdeel h, onder 5° en een verklaring op grond van artikel 2, onderdeel g of k, van toepassing zou zijn;
e. een project in artikel 2, onderdeel h, onder 7° met een investeringsomvang van minder dan € 100 000;
f. een project waarvoor, vanwege toekenning van een financieel of ander voordeel door de overheid of de Commissie van de Europese Gemeenschappen uit andere hoofde dan op grond van deze regeling, een zodanig voordeel ontstaat dat het totale toegestane voordeel op grond van communautaire regelgeving zou overschrijden;
g. een project waarvan het niet aannemelijk is dat het enig eigen rendement heeft, subsidies van overheden en convenantsmiddelen daaronder begrepen;
h. een project waarvan het te verwachten economisch rendement van het project in verhouding tot het risico zodanig is dat het zonder toepassing van de regeling tot stand kan komen.
2. Geen verklaring wordt afgegeven indien de aanvrager, na daartoe een verzoek ontvangen te hebben, niet binnen de gestelde termijn de gegevens verstrekt die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van een project.
3. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, onder 1° en 2°.
4. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel f.3°, f.4°, g.1°, g4° of g5°, die worden uitgevoerd op of aan een woning en die worden uitgevoerd voor rekening en risico van de eigenaar-bewoner.