De Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Verkeer en Waterstaat, een verklaring afgeven voor:
a. projecten in de categorie natuur, die zijn gericht op: 1°. de ontwikkeling en instandhouding van bos, met uitzondering van vruchtbomen, windsingels, wegbeplantingen, bomen die bestemd zijn om te dienen als kerstbomen en kweekgoed of voor de opwekking van energie en commercieel gebruik van bos. De projecten bestaan uit aaneengesloten gebieden met een oppervlakte van ten minste vijf hectare;
2°. de ontwikkeling van additioneel stedelijk groen, mits er een toename is van het oppervlak aan groen en dat groen ten minste gedeeltelijk een opgaand karakter heeft. Het betreft de aanleg van stedelijk groen gelegen binnen de bebouwde kom of binnen een zone van 500 meter om de bebouwde kom. Indien het project wegbeplantingen betreft, kan dit alleen nieuw te realiseren wegbeplanting zijn bij bestaande wegen. Tevens mag de aanleg van openbaar groen niet het uitvoeren van achterstallig onderhoud betreffen;
3°. de ontwikkeling en instandhouding van natuur- en landschappelijke waarden in gebieden die als Natura 2000-gebied, Beschermd Natuurmonument of Wetland zijn aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, of in Nationale Parken of gebieden die onderdeel zijn van de Nationale of Provinciale Ecologische Hoofdstructuur inclusief robuuste ecologische verbindingszones;
4°. de ontwikkeling en instandhouding van natuur- en natuurlijke gebiedseigen landschappelijke en cultuurhistorische waarden binnen de begrenzing van de Nationale Landschappen, zoals uitgewerkt in de Nota Ruimte (Kamerstukken II 2003−2004, 29 435, nrs.1−2), met uitzondering van opstallen;
5°. de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden van opengestelde landgoederen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van opstallen;
6°. de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Provinciale Subsidieregeling natuurbeheer, en in geval van projecten met bos en houtopstanden bestaan uit aaneengesloten gebieden met een oppervlakte van ten minste vijf hectare;
7°. de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Provinciale Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer of hoofdstuk 4 dan wel afdeling 5.1.3 van de provinciale Subsidieverordening Natuur en Landschapsbeheer, en in geval van projecten met bos en houtopstanden bestaan uit aaneengesloten gebieden met een oppervlakte van ten minste vijf hectare;
8°. het bevorderen en in stand houden van biodiversiteit door de aanleg van: a. visgeleidingssystemen voor het opheffen van kunstmatige barrières;
b. landdiergeleidingssystemen voor het opheffen van kunstmatige barrières;
c. vogelwaarschuwingssystemen of alarmeringsystemen ter voorkoming dat vogels zich doodvliegen tegen niet natuurlijke obstakels;
a. visgeleidingssystemen voor het opheffen van kunstmatige barrières;
b. landdiergeleidingssystemen voor het opheffen van kunstmatige barrières;
c. vogelwaarschuwingssystemen of alarmeringsystemen ter voorkoming dat vogels zich doodvliegen tegen niet natuurlijke obstakels;
9°. natuur- en milieueducatie gericht op inheemse natuur, mits educatie een primair en aantoonbaar doel is van de projecten en deze educatie geen onderdeel uitmaakt van het reguliere onderwijs curriculum.
1°. de ontwikkeling en instandhouding van bos, met uitzondering van vruchtbomen, windsingels, wegbeplantingen, bomen die bestemd zijn om te dienen als kerstbomen en kweekgoed of voor de opwekking van energie en commercieel gebruik van bos. De projecten bestaan uit aaneengesloten gebieden met een oppervlakte van ten minste vijf hectare;
2°. de ontwikkeling van additioneel stedelijk groen, mits er een toename is van het oppervlak aan groen en dat groen ten minste gedeeltelijk een opgaand karakter heeft. Het betreft de aanleg van stedelijk groen gelegen binnen de bebouwde kom of binnen een zone van 500 meter om de bebouwde kom. Indien het project wegbeplantingen betreft, kan dit alleen nieuw te realiseren wegbeplanting zijn bij bestaande wegen. Tevens mag de aanleg van openbaar groen niet het uitvoeren van achterstallig onderhoud betreffen;
3°. de ontwikkeling en instandhouding van natuur- en landschappelijke waarden in gebieden die als Natura 2000-gebied, Beschermd Natuurmonument of Wetland zijn aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, of in Nationale Parken of gebieden die onderdeel zijn van de Nationale of Provinciale Ecologische Hoofdstructuur inclusief robuuste ecologische verbindingszones;
4°. de ontwikkeling en instandhouding van natuur- en natuurlijke gebiedseigen landschappelijke en cultuurhistorische waarden binnen de begrenzing van de Nationale Landschappen, zoals uitgewerkt in de Nota Ruimte (Kamerstukken II 2003−2004, 29 435, nrs.1−2), met uitzondering van opstallen;
5°. de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden van opengestelde landgoederen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van opstallen;
6°. de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Provinciale Subsidieregeling natuurbeheer, en in geval van projecten met bos en houtopstanden bestaan uit aaneengesloten gebieden met een oppervlakte van ten minste vijf hectare;
7°. de ontwikkeling en instandhouding van nieuwe natuur en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Provinciale Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer of hoofdstuk 4 dan wel afdeling 5.1.3 van de provinciale Subsidieverordening Natuur en Landschapsbeheer, en in geval van projecten met bos en houtopstanden bestaan uit aaneengesloten gebieden met een oppervlakte van ten minste vijf hectare;
8°. het bevorderen en in stand houden van biodiversiteit door de aanleg van: a. visgeleidingssystemen voor het opheffen van kunstmatige barrières;
b. landdiergeleidingssystemen voor het opheffen van kunstmatige barrières;
c. vogelwaarschuwingssystemen of alarmeringsystemen ter voorkoming dat vogels zich doodvliegen tegen niet natuurlijke obstakels;
a. visgeleidingssystemen voor het opheffen van kunstmatige barrières;
b. landdiergeleidingssystemen voor het opheffen van kunstmatige barrières;
c. vogelwaarschuwingssystemen of alarmeringsystemen ter voorkoming dat vogels zich doodvliegen tegen niet natuurlijke obstakels;
9°. natuur- en milieueducatie gericht op inheemse natuur, mits educatie een primair en aantoonbaar doel is van de projecten en deze educatie geen onderdeel uitmaakt van het reguliere onderwijs curriculum.
b. projecten in de categorie biologische landbouw, die zijn gericht op: 1°. het produceren of door kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van Bijlage 1 Verordening (EG) Nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (Pb L 214) verwerken van biologische plantaardige landbouwproducten overeenkomstig het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007;
2°. het produceren of door kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van Bijlage 1 Verordening (EG) Nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (Pb L 214) verwerken van biologische dierlijke landbouwproducten overeenkomstig het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007.
1°. het produceren of door kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van Bijlage 1 Verordening (EG) Nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (Pb L 214) verwerken van biologische plantaardige landbouwproducten overeenkomstig het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007;
2°. het produceren of door kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van Bijlage 1 Verordening (EG) Nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (Pb L 214) verwerken van biologische dierlijke landbouwproducten overeenkomstig het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007.
c. projecten in de categorie landbouw, die zijn gericht op: 1°. het bedrijfsmatig telen van gewassen in een Groen label kas, die voldoet aan de volgende basiseisen: – er zijn geen voorzieningen aanwezig voor het wegkoelen van opgewekte warmte, en
– ten minste 10% van het totale energiegebruik van de kas bestaat uit zelf opgewekte/gewonnen duurzame energie als omschreven in categorie f.2°, f.3°, f.4°, f.5°, f.6° en g.1°, of
– ten minste 50% minder energie gebruikt wordt dan in een referentiekas. Indien een kas wordt gerealiseerd in een landbouwontwikkelingsgebied glastuinbouw of in een greenport krijgt deze 10 punten als keuzemaatregel binnen het vigerende Certificatiesysteem Groen Label Kas;
– er zijn geen voorzieningen aanwezig voor het wegkoelen van opgewekte warmte, en
– ten minste 10% van het totale energiegebruik van de kas bestaat uit zelf opgewekte/gewonnen duurzame energie als omschreven in categorie f.2°, f.3°, f.4°, f.5°, f.6° en g.1°, of
– ten minste 50% minder energie gebruikt wordt dan in een referentiekas. Indien een kas wordt gerealiseerd in een landbouwontwikkelingsgebied glastuinbouw of in een greenport krijgt deze 10 punten als keuzemaatregel binnen het vigerende Certificatiesysteem Groen Label Kas;
2°. a. het door kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU L 124) volgens de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid diervriendelijk kweken van zeevis of zoetwatervis, bestemd voor menselijke consumptie, in een nagenoeg gesloten waterrecirculatiesysteem met een verversing van ten hoogste 0,5 kubieke meter water per kilogram verstrekt voer per dag, waarbij de juveniele vis verkregen wordt van gekweekte oudervissen en waarbij het verstrekte voer duurzaam gekweekt wordt of geheel van plantaardige oorsprong is of afkomstig is van reststromen uit de levensmiddelenindustrie, of
b. het door kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU L 124) volgens de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid diervriendelijk broeden en opkweken en/of diervriendelijk kweken van gebiedseigen schaal- en schelpdieren uit gekweekte ouderdieren en/of gekweekte juveniele dieren, bestemd voor menselijke consumptie, in een nagenoeg gesloten waterrecirculatiesysteem met een maximum verversingsgraad van 0,5% van het dagelijks debiet, waarbij het verstrekte voer duurzaam gekweekt wordt;
a. het door kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU L 124) volgens de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid diervriendelijk kweken van zeevis of zoetwatervis, bestemd voor menselijke consumptie, in een nagenoeg gesloten waterrecirculatiesysteem met een verversing van ten hoogste 0,5 kubieke meter water per kilogram verstrekt voer per dag, waarbij de juveniele vis verkregen wordt van gekweekte oudervissen en waarbij het verstrekte voer duurzaam gekweekt wordt of geheel van plantaardige oorsprong is of afkomstig is van reststromen uit de levensmiddelenindustrie, of
b. het door kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU L 124) volgens de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid diervriendelijk broeden en opkweken en/of diervriendelijk kweken van gebiedseigen schaal- en schelpdieren uit gekweekte ouderdieren en/of gekweekte juveniele dieren, bestemd voor menselijke consumptie, in een nagenoeg gesloten waterrecirculatiesysteem met een maximum verversingsgraad van 0,5% van het dagelijks debiet, waarbij het verstrekte voer duurzaam gekweekt wordt;
3°. duurzame melkveehouderij overeenkomstig de eisen van het certificatiesysteem van de vigerende Maatlat Duurzame Veehouderij en Aquacultuur, onderdeel MDV – melkveestallen, certificaat A.
1°. het bedrijfsmatig telen van gewassen in een Groen label kas, die voldoet aan de volgende basiseisen: – er zijn geen voorzieningen aanwezig voor het wegkoelen van opgewekte warmte, en
– ten minste 10% van het totale energiegebruik van de kas bestaat uit zelf opgewekte/gewonnen duurzame energie als omschreven in categorie f.2°, f.3°, f.4°, f.5°, f.6° en g.1°, of
– ten minste 50% minder energie gebruikt wordt dan in een referentiekas. Indien een kas wordt gerealiseerd in een landbouwontwikkelingsgebied glastuinbouw of in een greenport krijgt deze 10 punten als keuzemaatregel binnen het vigerende Certificatiesysteem Groen Label Kas;
– er zijn geen voorzieningen aanwezig voor het wegkoelen van opgewekte warmte, en
– ten minste 10% van het totale energiegebruik van de kas bestaat uit zelf opgewekte/gewonnen duurzame energie als omschreven in categorie f.2°, f.3°, f.4°, f.5°, f.6° en g.1°, of
– ten minste 50% minder energie gebruikt wordt dan in een referentiekas. Indien een kas wordt gerealiseerd in een landbouwontwikkelingsgebied glastuinbouw of in een greenport krijgt deze 10 punten als keuzemaatregel binnen het vigerende Certificatiesysteem Groen Label Kas;
2°. a. het door kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU L 124) volgens de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid diervriendelijk kweken van zeevis of zoetwatervis, bestemd voor menselijke consumptie, in een nagenoeg gesloten waterrecirculatiesysteem met een verversing van ten hoogste 0,5 kubieke meter water per kilogram verstrekt voer per dag, waarbij de juveniele vis verkregen wordt van gekweekte oudervissen en waarbij het verstrekte voer duurzaam gekweekt wordt of geheel van plantaardige oorsprong is of afkomstig is van reststromen uit de levensmiddelenindustrie, of
b. het door kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU L 124) volgens de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid diervriendelijk broeden en opkweken en/of diervriendelijk kweken van gebiedseigen schaal- en schelpdieren uit gekweekte ouderdieren en/of gekweekte juveniele dieren, bestemd voor menselijke consumptie, in een nagenoeg gesloten waterrecirculatiesysteem met een maximum verversingsgraad van 0,5% van het dagelijks debiet, waarbij het verstrekte voer duurzaam gekweekt wordt;
a. het door kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU L 124) volgens de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid diervriendelijk kweken van zeevis of zoetwatervis, bestemd voor menselijke consumptie, in een nagenoeg gesloten waterrecirculatiesysteem met een verversing van ten hoogste 0,5 kubieke meter water per kilogram verstrekt voer per dag, waarbij de juveniele vis verkregen wordt van gekweekte oudervissen en waarbij het verstrekte voer duurzaam gekweekt wordt of geheel van plantaardige oorsprong is of afkomstig is van reststromen uit de levensmiddelenindustrie, of
b. het door kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU L 124) volgens de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid diervriendelijk broeden en opkweken en/of diervriendelijk kweken van gebiedseigen schaal- en schelpdieren uit gekweekte ouderdieren en/of gekweekte juveniele dieren, bestemd voor menselijke consumptie, in een nagenoeg gesloten waterrecirculatiesysteem met een maximum verversingsgraad van 0,5% van het dagelijks debiet, waarbij het verstrekte voer duurzaam gekweekt wordt;
3°. duurzame melkveehouderij overeenkomstig de eisen van het certificatiesysteem van de vigerende Maatlat Duurzame Veehouderij en Aquacultuur, onderdeel MDV – melkveestallen, certificaat A.
d. projecten in de categorie duurzame grondstoffen, die zijn gericht op de industriële verwerking van landbouwgrondstoffen, of reststoffen van natuurbeheer tot producten die niet geschikt zijn voor menselijke of dierlijke consumptie, met uitzondering van de verwerking van genoemde stoffen tot energie of energiedragers. Voorwaarde daarbij is dat die producten in Nederland nog niet gangbaar zijn en dat deze leiden tot een vermindering van de aantasting van het milieu.
e. projecten in de categorie terugwinning en hergebruik, die zijn gericht op: 1°. vermindering van milieudruk en op vermindering van de inzet van primaire grondstoffen voor producten door: a. nog niet gangbare processen voor terugwinning van materialen of producten of grondstoffen (anders dan energie of energiedragers), uit stromen waarvoor een laagwaardigere verwerking gangbaar is, waardoor de inzet van primaire grondstoffen beperkt kan worden;
b. processen gericht op de verwerking van baggerspecie, die gestort zou mogen worden, tot grondstoffen waardoor de inzet van primaire grondstoffen beperkt kan worden;
a. nog niet gangbare processen voor terugwinning van materialen of producten of grondstoffen (anders dan energie of energiedragers), uit stromen waarvoor een laagwaardigere verwerking gangbaar is, waardoor de inzet van primaire grondstoffen beperkt kan worden;
b. processen gericht op de verwerking van baggerspecie, die gestort zou mogen worden, tot grondstoffen waardoor de inzet van primaire grondstoffen beperkt kan worden;
2°. een inrichting voor het detoxificeren van te ontmantelen schepen en het ontmantelen van schepen, met een aantoonbaar en gegarandeerd sociaal en milieuverantwoord proces in een gesloten systeem. In dit systeem treden geen emissies naar bodem, lucht en water op en worden afvalstoffen gedetoxificeerd en op een gecontroleerde wijze beheerd. Tevens wordt bescherming van medewerkers gerealiseerd en zal hergebruik van de materialen plaatsvinden;
3°. a. het in ondergrondse lagen opslaan van koolstofdioxide, afkomstig van verbrandingsinstallaties voor het opwekken van energie of afkomstig van industriële processen;
b. het realiseren van infrastructuur voor ondergronds transport, ten behoeve van aanwending in kassen of in andere inrichtingen, van koolstofdioxide afkomstig van verbrandingsinstallaties met een minimaal vermogen van 20 MW voor het opwekken van energie of afkomstig van industriële processen en bestaande uit investeringen voor het afvangen, het voorbehandelen en transport van deze gassen.
a. het in ondergrondse lagen opslaan van koolstofdioxide, afkomstig van verbrandingsinstallaties voor het opwekken van energie of afkomstig van industriële processen;
b. het realiseren van infrastructuur voor ondergronds transport, ten behoeve van aanwending in kassen of in andere inrichtingen, van koolstofdioxide afkomstig van verbrandingsinstallaties met een minimaal vermogen van 20 MW voor het opwekken van energie of afkomstig van industriële processen en bestaande uit investeringen voor het afvangen, het voorbehandelen en transport van deze gassen.
1°. vermindering van milieudruk en op vermindering van de inzet van primaire grondstoffen voor producten door: a. nog niet gangbare processen voor terugwinning van materialen of producten of grondstoffen (anders dan energie of energiedragers), uit stromen waarvoor een laagwaardigere verwerking gangbaar is, waardoor de inzet van primaire grondstoffen beperkt kan worden;
b. processen gericht op de verwerking van baggerspecie, die gestort zou mogen worden, tot grondstoffen waardoor de inzet van primaire grondstoffen beperkt kan worden;
a. nog niet gangbare processen voor terugwinning van materialen of producten of grondstoffen (anders dan energie of energiedragers), uit stromen waarvoor een laagwaardigere verwerking gangbaar is, waardoor de inzet van primaire grondstoffen beperkt kan worden;
b. processen gericht op de verwerking van baggerspecie, die gestort zou mogen worden, tot grondstoffen waardoor de inzet van primaire grondstoffen beperkt kan worden;
2°. een inrichting voor het detoxificeren van te ontmantelen schepen en het ontmantelen van schepen, met een aantoonbaar en gegarandeerd sociaal en milieuverantwoord proces in een gesloten systeem. In dit systeem treden geen emissies naar bodem, lucht en water op en worden afvalstoffen gedetoxificeerd en op een gecontroleerde wijze beheerd. Tevens wordt bescherming van medewerkers gerealiseerd en zal hergebruik van de materialen plaatsvinden;
3°. a. het in ondergrondse lagen opslaan van koolstofdioxide, afkomstig van verbrandingsinstallaties voor het opwekken van energie of afkomstig van industriële processen;
b. het realiseren van infrastructuur voor ondergronds transport, ten behoeve van aanwending in kassen of in andere inrichtingen, van koolstofdioxide afkomstig van verbrandingsinstallaties met een minimaal vermogen van 20 MW voor het opwekken van energie of afkomstig van industriële processen en bestaande uit investeringen voor het afvangen, het voorbehandelen en transport van deze gassen.
a. het in ondergrondse lagen opslaan van koolstofdioxide, afkomstig van verbrandingsinstallaties voor het opwekken van energie of afkomstig van industriële processen;
b. het realiseren van infrastructuur voor ondergronds transport, ten behoeve van aanwending in kassen of in andere inrichtingen, van koolstofdioxide afkomstig van verbrandingsinstallaties met een minimaal vermogen van 20 MW voor het opwekken van energie of afkomstig van industriële processen en bestaande uit investeringen voor het afvangen, het voorbehandelen en transport van deze gassen.
f. projecten in de categorie duurzame energie, die zijn gericht op: 1°. a. het realiseren van een biogasopwaardeerinstallatie, bestemd voor het produceren van gas van aardgasnetkwaliteit, waarbij uitsluitend uit biomassa of uit mest verkregen gassen als energie-input mogen dienen;
b. het realiseren van een biobrandstofproductie-installatie, bestemd voor het produceren van vloeibare of gasvormige duurzame brandstoffen uit houtachtige of cellulose-achtige verbindingen in biomassa door hoge druk of hoge temperatuur thermische ontleding of Fischer-Tropsch proces (of een vergelijkbaar proces) of cellulose fermentatie, met uitzondering van mesofiele en thermofiele mestvergisting;
a. het realiseren van een biogasopwaardeerinstallatie, bestemd voor het produceren van gas van aardgasnetkwaliteit, waarbij uitsluitend uit biomassa of uit mest verkregen gassen als energie-input mogen dienen;
b. het realiseren van een biobrandstofproductie-installatie, bestemd voor het produceren van vloeibare of gasvormige duurzame brandstoffen uit houtachtige of cellulose-achtige verbindingen in biomassa door hoge druk of hoge temperatuur thermische ontleding of Fischer-Tropsch proces (of een vergelijkbaar proces) of cellulose fermentatie, met uitzondering van mesofiele en thermofiele mestvergisting;
2°. het opwekken van elektrische energie door middel van een windturbine die is gecertificeerd volgens de Europese veiligheidsnormen ‘IEC 61400-1, Ed. 3’ en ‘IEC WT01’, voorzover deze normen daarop van toepassing zijn;
3°. het opwekken van elektrische energie met behulp van fotovoltaïsche cellen;
4°. het gebruik van thermische zonne-energie door middel van zonnecollectoren, eventueel in combinatie met een van de volgende warmtepompen: a. een warmtepomp met voor water/water-systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 4,0, bij een conditie van W10/W45 bepaald conform NEN-EN 14511, of
b. een warmtepomp met voor brine/water-systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 3,2, bij een conditie van B0/W45 bepaald conform NEN-EN 14511;
a. een warmtepomp met voor water/water-systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 4,0, bij een conditie van W10/W45 bepaald conform NEN-EN 14511, of
b. een warmtepomp met voor brine/water-systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 3,2, bij een conditie van B0/W45 bepaald conform NEN-EN 14511;
5°. het winnen van aardwarmte;
6°. het opwekken van elektrische energie uit water of waterkracht, mits voorzien van maatregelen ter bescherming van de biodiversiteit, en uitgezonderd het opwekken van energie met behulp van stoomturbines.
1°. a. het realiseren van een biogasopwaardeerinstallatie, bestemd voor het produceren van gas van aardgasnetkwaliteit, waarbij uitsluitend uit biomassa of uit mest verkregen gassen als energie-input mogen dienen;
b. het realiseren van een biobrandstofproductie-installatie, bestemd voor het produceren van vloeibare of gasvormige duurzame brandstoffen uit houtachtige of cellulose-achtige verbindingen in biomassa door hoge druk of hoge temperatuur thermische ontleding of Fischer-Tropsch proces (of een vergelijkbaar proces) of cellulose fermentatie, met uitzondering van mesofiele en thermofiele mestvergisting;
a. het realiseren van een biogasopwaardeerinstallatie, bestemd voor het produceren van gas van aardgasnetkwaliteit, waarbij uitsluitend uit biomassa of uit mest verkregen gassen als energie-input mogen dienen;
b. het realiseren van een biobrandstofproductie-installatie, bestemd voor het produceren van vloeibare of gasvormige duurzame brandstoffen uit houtachtige of cellulose-achtige verbindingen in biomassa door hoge druk of hoge temperatuur thermische ontleding of Fischer-Tropsch proces (of een vergelijkbaar proces) of cellulose fermentatie, met uitzondering van mesofiele en thermofiele mestvergisting;
2°. het opwekken van elektrische energie door middel van een windturbine die is gecertificeerd volgens de Europese veiligheidsnormen ‘IEC 61400-1, Ed. 3’ en ‘IEC WT01’, voorzover deze normen daarop van toepassing zijn;
3°. het opwekken van elektrische energie met behulp van fotovoltaïsche cellen;
4°. het gebruik van thermische zonne-energie door middel van zonnecollectoren, eventueel in combinatie met een van de volgende warmtepompen: a. een warmtepomp met voor water/water-systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 4,0, bij een conditie van W10/W45 bepaald conform NEN-EN 14511, of
b. een warmtepomp met voor brine/water-systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 3,2, bij een conditie van B0/W45 bepaald conform NEN-EN 14511;
a. een warmtepomp met voor water/water-systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 4,0, bij een conditie van W10/W45 bepaald conform NEN-EN 14511, of
b. een warmtepomp met voor brine/water-systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 3,2, bij een conditie van B0/W45 bepaald conform NEN-EN 14511;
5°. het winnen van aardwarmte;
6°. het opwekken van elektrische energie uit water of waterkracht, mits voorzien van maatregelen ter bescherming van de biodiversiteit, en uitgezonderd het opwekken van energie met behulp van stoomturbines.
g. projecten in de categorie energiebesparing, die zijn gericht op: 1°. het met behulp van warmtepompen en een gesloten bodemwarmtewisselaar of aquifer opwaarderen van laagwaardige warmte naar hoogwaardige warmte op een zodanige wijze dat de hoogwaardige warmte nuttig wordt aangewend, door middel van: a. een warmtepomp met voor water/water systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 4,0, bij een conditie van W10/W45 bepaald conform NEN-EN 14511, of
b. een warmtepomp met voor brine/water systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 3,2, bij een conditie van B0/W45 bepaald conform NEN-EN 14511;
a. een warmtepomp met voor water/water systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 4,0, bij een conditie van W10/W45 bepaald conform NEN-EN 14511, of
b. een warmtepomp met voor brine/water systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 3,2, bij een conditie van B0/W45 bepaald conform NEN-EN 14511;
2.° a. het aanleggen van energie-arme buitenverlichting bestemd voor het verlichten van openbare wegen, openbare pleinen, openbare gebouwen, bruggen, openbare parken, parkeerterreinen of verharde bedrijfsterreinen, exclusief het verlichten van tuinen, planten en sportaccommodaties, en bestaande uit masten, led-lampen en specifiek voor die lampen geschikte armaturen, eventuele elektronische voorschakelapparaten en bijbehorende verlichtingsmanagementsystemen;
b. het aanleggen van energie-arme buitenverlichting bestemd voor het verlichten van openbare wegen, openbare pleinen, openbare gebouwen, bruggen, openbare parken, parkeerterreinen of verharde bedrijfsterreinen, exclusief het verlichten van tuinen, planten en sportaccommodaties, waarbij aantoonbaar een energiebesparing wordt gerealiseerd door een toename van het systeemrendement in lumen/Watt van ten minste 30% ten opzichte van het gemiddeld energiegebruik bij soortgelijke gangbare installaties, en bestaande uit masten, lampen en armaturen, eventuele elektronische voorschakelapparaten en bijbehorende verlichtingsmanagementsystemen;
a. het aanleggen van energie-arme buitenverlichting bestemd voor het verlichten van openbare wegen, openbare pleinen, openbare gebouwen, bruggen, openbare parken, parkeerterreinen of verharde bedrijfsterreinen, exclusief het verlichten van tuinen, planten en sportaccommodaties, en bestaande uit masten, led-lampen en specifiek voor die lampen geschikte armaturen, eventuele elektronische voorschakelapparaten en bijbehorende verlichtingsmanagementsystemen;
b. het aanleggen van energie-arme buitenverlichting bestemd voor het verlichten van openbare wegen, openbare pleinen, openbare gebouwen, bruggen, openbare parken, parkeerterreinen of verharde bedrijfsterreinen, exclusief het verlichten van tuinen, planten en sportaccommodaties, waarbij aantoonbaar een energiebesparing wordt gerealiseerd door een toename van het systeemrendement in lumen/Watt van ten minste 30% ten opzichte van het gemiddeld energiegebruik bij soortgelijke gangbare installaties, en bestaande uit masten, lampen en armaturen, eventuele elektronische voorschakelapparaten en bijbehorende verlichtingsmanagementsystemen;
3°. het aanleggen van warmtedistributienetten en het bouwen van bijstookketels en warmtebuffers, waarbij het distributieverlies van de warmte minder is dan 20% en de hulpenergie bijstook minder is dan 20% van het jaargemiddelde, ten behoeve van de benutting van restwarmte van: a. afvalverbrandingsinstallaties voor stedelijk afval en installaties in de industrie waarbij geen elektriciteit wordt opgewekt;
b. elektriciteitsopwekkingsinstallaties met een elektrisch rendement van ten minste 30% en een minimaal vermogen van 20 MW;
a. afvalverbrandingsinstallaties voor stedelijk afval en installaties in de industrie waarbij geen elektriciteit wordt opgewekt;
b. elektriciteitsopwekkingsinstallaties met een elektrisch rendement van ten minste 30% en een minimaal vermogen van 20 MW;
4°. het door een eigenaar-bewoner uit één gasvormige energiebron gelijktijdig opwekken van warmte en elektriciteit in een micro-warmtekrachtkoppeling, met een geproduceerd elektrisch vermogen van minimaal 0,8 kWe en maximaal 5 kWe, bestemd voor ruimteverwarming van een woning, waarbij een bivalent rendement voor ruimteverwarming geldt van minimaal 107% op onderwaarde, gemeten volgens NEN-EN 677 op enig moment van de rendementscurve;
5°. het door een eigenaar-bewoner plaatsen van een warmtepomp die bestemd is voor ruimteverwarming van een woning met water als distributiemedium, eventueel gecombineerd met een hoogrendementsketel voor naverwarming met een rendement voor ruimteverwarming van minimaal 107% op onderwaarde gemeten volgens NEN-EN 677.
1°. het met behulp van warmtepompen en een gesloten bodemwarmtewisselaar of aquifer opwaarderen van laagwaardige warmte naar hoogwaardige warmte op een zodanige wijze dat de hoogwaardige warmte nuttig wordt aangewend, door middel van: a. een warmtepomp met voor water/water systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 4,0, bij een conditie van W10/W45 bepaald conform NEN-EN 14511, of
b. een warmtepomp met voor brine/water systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 3,2, bij een conditie van B0/W45 bepaald conform NEN-EN 14511;
a. een warmtepomp met voor water/water systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 4,0, bij een conditie van W10/W45 bepaald conform NEN-EN 14511, of
b. een warmtepomp met voor brine/water systemen een coëfficiënt of performance van ten minste 3,2, bij een conditie van B0/W45 bepaald conform NEN-EN 14511;
2.° a. het aanleggen van energie-arme buitenverlichting bestemd voor het verlichten van openbare wegen, openbare pleinen, openbare gebouwen, bruggen, openbare parken, parkeerterreinen of verharde bedrijfsterreinen, exclusief het verlichten van tuinen, planten en sportaccommodaties, en bestaande uit masten, led-lampen en specifiek voor die lampen geschikte armaturen, eventuele elektronische voorschakelapparaten en bijbehorende verlichtingsmanagementsystemen;
b. het aanleggen van energie-arme buitenverlichting bestemd voor het verlichten van openbare wegen, openbare pleinen, openbare gebouwen, bruggen, openbare parken, parkeerterreinen of verharde bedrijfsterreinen, exclusief het verlichten van tuinen, planten en sportaccommodaties, waarbij aantoonbaar een energiebesparing wordt gerealiseerd door een toename van het systeemrendement in lumen/Watt van ten minste 30% ten opzichte van het gemiddeld energiegebruik bij soortgelijke gangbare installaties, en bestaande uit masten, lampen en armaturen, eventuele elektronische voorschakelapparaten en bijbehorende verlichtingsmanagementsystemen;
a. het aanleggen van energie-arme buitenverlichting bestemd voor het verlichten van openbare wegen, openbare pleinen, openbare gebouwen, bruggen, openbare parken, parkeerterreinen of verharde bedrijfsterreinen, exclusief het verlichten van tuinen, planten en sportaccommodaties, en bestaande uit masten, led-lampen en specifiek voor die lampen geschikte armaturen, eventuele elektronische voorschakelapparaten en bijbehorende verlichtingsmanagementsystemen;
b. het aanleggen van energie-arme buitenverlichting bestemd voor het verlichten van openbare wegen, openbare pleinen, openbare gebouwen, bruggen, openbare parken, parkeerterreinen of verharde bedrijfsterreinen, exclusief het verlichten van tuinen, planten en sportaccommodaties, waarbij aantoonbaar een energiebesparing wordt gerealiseerd door een toename van het systeemrendement in lumen/Watt van ten minste 30% ten opzichte van het gemiddeld energiegebruik bij soortgelijke gangbare installaties, en bestaande uit masten, lampen en armaturen, eventuele elektronische voorschakelapparaten en bijbehorende verlichtingsmanagementsystemen;
3°. het aanleggen van warmtedistributienetten en het bouwen van bijstookketels en warmtebuffers, waarbij het distributieverlies van de warmte minder is dan 20% en de hulpenergie bijstook minder is dan 20% van het jaargemiddelde, ten behoeve van de benutting van restwarmte van: a. afvalverbrandingsinstallaties voor stedelijk afval en installaties in de industrie waarbij geen elektriciteit wordt opgewekt;
b. elektriciteitsopwekkingsinstallaties met een elektrisch rendement van ten minste 30% en een minimaal vermogen van 20 MW;
a. afvalverbrandingsinstallaties voor stedelijk afval en installaties in de industrie waarbij geen elektriciteit wordt opgewekt;
b. elektriciteitsopwekkingsinstallaties met een elektrisch rendement van ten minste 30% en een minimaal vermogen van 20 MW;
4°. het door een eigenaar-bewoner uit één gasvormige energiebron gelijktijdig opwekken van warmte en elektriciteit in een micro-warmtekrachtkoppeling, met een geproduceerd elektrisch vermogen van minimaal 0,8 kWe en maximaal 5 kWe, bestemd voor ruimteverwarming van een woning, waarbij een bivalent rendement voor ruimteverwarming geldt van minimaal 107% op onderwaarde, gemeten volgens NEN-EN 677 op enig moment van de rendementscurve;
5°. het door een eigenaar-bewoner plaatsen van een warmtepomp die bestemd is voor ruimteverwarming van een woning met water als distributiemedium, eventueel gecombineerd met een hoogrendementsketel voor naverwarming met een rendement voor ruimteverwarming van minimaal 107% op onderwaarde gemeten volgens NEN-EN 677.
h. projecten in de categorie duurzaam bouwen, die zijn gericht op: 1°. het realiseren van nieuw te bouwen woningen, die voldoen aan de volgende criteria: – de Energieprestatiecoëfficiënt van de woningen is niet hoger dan 65% van de eis die geldt in het Bouwbesluit; én
– regenwaterafvoer is afgekoppeld van het rioleringsstelsel, én
– indien hout wordt toegepast is dat duurzaam geproduceerd hout;
– de Energieprestatiecoëfficiënt van de woningen is niet hoger dan 65% van de eis die geldt in het Bouwbesluit; én
– regenwaterafvoer is afgekoppeld van het rioleringsstelsel, én
– indien hout wordt toegepast is dat duurzaam geproduceerd hout;
2°. het door herbestemming van kantoorpanden realiseren van nieuwe woningen, die voldoen aan de volgende criteria: – de Energie-index van de gerealiseerde woningen moet ten minste gelijk zijn aan het niveau dat voor nieuwbouwwoningen wordt geëist, én
– indien hout wordt toegepast is dat duurzaam geproduceerd hout;
– de Energie-index van de gerealiseerde woningen moet ten minste gelijk zijn aan het niveau dat voor nieuwbouwwoningen wordt geëist, én
– indien hout wordt toegepast is dat duurzaam geproduceerd hout;
3°. het renoveren van bestaande woningen door de eigenaar-bewoner, die voldoen aan de volgende criteria: – indien hout wordt toegepast is dat duurzaam geproduceerd hout;
– er worden energiebesparende maatregelen doorgevoerd, en die voldoen aan één van de volgende niveau’s: a. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een A-label;
a. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een A-label;
– indien hout wordt toegepast is dat duurzaam geproduceerd hout;
– er worden energiebesparende maatregelen doorgevoerd, en die voldoen aan één van de volgende niveau’s: a. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een A-label;
a. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een A-label;
4°. het renoveren van bestaande woningen door tussenkomst van een onderneming. j indien er hout wordt toegepast dit duurzaam geproduceerd hout is, en waarbij voldaan wordt aan één van de volgende niveau’s: a. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste twee labelstappen lager dan ervoor of de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
c. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een A-label;
a. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste twee labelstappen lager dan ervoor of de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
c. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een A-label;
5°. het realiseren van zeer duurzame utiliteitsgebouwen, die voldoen aan bijlage 1 bij deze regeling.
6°. het renoveren van bestaande utiliteitsgebouwen, en die voldoen aan bijlage 2 van deze regeling en aan één van de volgende niveaus: I. de Energie-index van het utiliteitsgebouw is na renovatie ten minste 0,6 lager dan ervoor;
II. de Energie-index van het utiliteitsgebouw is na renovatie ten minste 1,2 lager dan ervoor;
III. de Energie-index van het utiliteitsgebouw is na renovatie ten minste 1,8 lager dan ervoor;
I. de Energie-index van het utiliteitsgebouw is na renovatie ten minste 0,6 lager dan ervoor;
II. de Energie-index van het utiliteitsgebouw is na renovatie ten minste 1,2 lager dan ervoor;
III. de Energie-index van het utiliteitsgebouw is na renovatie ten minste 1,8 lager dan ervoor;
7°. de herstructurering van verouderde bedrijventerreinen door overheden of kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van Bijlage 1 Verordening (EG) Nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (Pb L 214) die de totale kwaliteit van het bedrijventerrein ten goede komen en bestaan uit de renovatie van bestaande gebouwen, opknappen van private buitenruimte van bedrijven en verbeteren van de openbare ruimte.
1°. het realiseren van nieuw te bouwen woningen, die voldoen aan de volgende criteria: – de Energieprestatiecoëfficiënt van de woningen is niet hoger dan 65% van de eis die geldt in het Bouwbesluit; én
– regenwaterafvoer is afgekoppeld van het rioleringsstelsel, én
– indien hout wordt toegepast is dat duurzaam geproduceerd hout;
– de Energieprestatiecoëfficiënt van de woningen is niet hoger dan 65% van de eis die geldt in het Bouwbesluit; én
– regenwaterafvoer is afgekoppeld van het rioleringsstelsel, én
– indien hout wordt toegepast is dat duurzaam geproduceerd hout;
2°. het door herbestemming van kantoorpanden realiseren van nieuwe woningen, die voldoen aan de volgende criteria: – de Energie-index van de gerealiseerde woningen moet ten minste gelijk zijn aan het niveau dat voor nieuwbouwwoningen wordt geëist, én
– indien hout wordt toegepast is dat duurzaam geproduceerd hout;
– de Energie-index van de gerealiseerde woningen moet ten minste gelijk zijn aan het niveau dat voor nieuwbouwwoningen wordt geëist, én
– indien hout wordt toegepast is dat duurzaam geproduceerd hout;
3°. het renoveren van bestaande woningen door de eigenaar-bewoner, die voldoen aan de volgende criteria: – indien hout wordt toegepast is dat duurzaam geproduceerd hout;
– er worden energiebesparende maatregelen doorgevoerd, en die voldoen aan één van de volgende niveau’s: a. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een A-label;
a. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een A-label;
– indien hout wordt toegepast is dat duurzaam geproduceerd hout;
– er worden energiebesparende maatregelen doorgevoerd, en die voldoen aan één van de volgende niveau’s: a. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een A-label;
a. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een A-label;
4°. het renoveren van bestaande woningen door tussenkomst van een onderneming. j indien er hout wordt toegepast dit duurzaam geproduceerd hout is, en waarbij voldaan wordt aan één van de volgende niveau’s: a. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste twee labelstappen lager dan ervoor of de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
c. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een A-label;
a. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste twee labelstappen lager dan ervoor of de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
b. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vier labelstappen lager dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een B-label;
c. de Energie-index van de woning is na renovatie ten minste vijf labelstappen dan ervoor en de woning verkrijgt na renovatie minimaal een A-label;
5°. het realiseren van zeer duurzame utiliteitsgebouwen, die voldoen aan bijlage 1 bij deze regeling.
6°. het renoveren van bestaande utiliteitsgebouwen, en die voldoen aan bijlage 2 van deze regeling en aan één van de volgende niveaus: I. de Energie-index van het utiliteitsgebouw is na renovatie ten minste 0,6 lager dan ervoor;
II. de Energie-index van het utiliteitsgebouw is na renovatie ten minste 1,2 lager dan ervoor;
III. de Energie-index van het utiliteitsgebouw is na renovatie ten minste 1,8 lager dan ervoor;
I. de Energie-index van het utiliteitsgebouw is na renovatie ten minste 0,6 lager dan ervoor;
II. de Energie-index van het utiliteitsgebouw is na renovatie ten minste 1,2 lager dan ervoor;
III. de Energie-index van het utiliteitsgebouw is na renovatie ten minste 1,8 lager dan ervoor;
7°. de herstructurering van verouderde bedrijventerreinen door overheden of kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van Bijlage 1 Verordening (EG) Nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (Pb L 214) die de totale kwaliteit van het bedrijventerrein ten goede komen en bestaan uit de renovatie van bestaande gebouwen, opknappen van private buitenruimte van bedrijven en verbeteren van de openbare ruimte.
i. Projecten in de categorie duurzame mobiliteit, die zijn gericht op: 1°. de realisatie van: a. vrijliggende of verhoogde fietspaden die verhard zijn met asfalt en die woon- of verblijfsgebieden verbinden met werkgebieden of woonkernen met meer dan 50 000 inwoners, of die de bereikbaarheid per fiets van Transferia, P&R terreinen, OV-stations of OV-halteplaatsen, kantoren- of bedrijventerreinen, scholen, medische- en zorginstellingen of toeristische attracties vergroten, of die onderdeel uitmaken van het landelijk fietsroutenetwerk (zoals aangegeven in de Nota Ruimte, Kamerstukken II 2004-2005, 29435, nrs.1-2), of
b. overdekte fietsenstallingen of de aanschaf van fietsen voor niet-commercieel gemeenschappelijk gebruik;
a. vrijliggende of verhoogde fietspaden die verhard zijn met asfalt en die woon- of verblijfsgebieden verbinden met werkgebieden of woonkernen met meer dan 50 000 inwoners, of die de bereikbaarheid per fiets van Transferia, P&R terreinen, OV-stations of OV-halteplaatsen, kantoren- of bedrijventerreinen, scholen, medische- en zorginstellingen of toeristische attracties vergroten, of die onderdeel uitmaken van het landelijk fietsroutenetwerk (zoals aangegeven in de Nota Ruimte, Kamerstukken II 2004-2005, 29435, nrs.1-2), of
b. overdekte fietsenstallingen of de aanschaf van fietsen voor niet-commercieel gemeenschappelijk gebruik;
2°. de aanschaf van: a. niet-railgebonden duurzame voertuigen voor goederenvervoer over de openbare weg en voor openbaar personenvervoer voor meer dan 8 passagiers, die voorzien zijn van een hybride of elektrisch systeem of een brandstofcelsysteem voor aandrijving, of uitsluitend rijden op waterstof of een waterstof/aardgas mengsel (met meer dan 10% waterstof);
b. duurzame vaartuigen voor openbaar personenvervoer voor meer dan 8 personenop binnenwateren, die voorzien zijn van een hybride of elektrisch systeem of een brandstofcelsysteem voor aandrijving of uitsluitend varen op waterstof of een waterstof/aardgas mengsel (met meer dan 10% waterstof);
a. niet-railgebonden duurzame voertuigen voor goederenvervoer over de openbare weg en voor openbaar personenvervoer voor meer dan 8 passagiers, die voorzien zijn van een hybride of elektrisch systeem of een brandstofcelsysteem voor aandrijving, of uitsluitend rijden op waterstof of een waterstof/aardgas mengsel (met meer dan 10% waterstof);
b. duurzame vaartuigen voor openbaar personenvervoer voor meer dan 8 personenop binnenwateren, die voorzien zijn van een hybride of elektrisch systeem of een brandstofcelsysteem voor aandrijving of uitsluitend varen op waterstof of een waterstof/aardgas mengsel (met meer dan 10% waterstof);
3°. investeringen in geluid- en emissiearme mobiele werktuigen die voorzien zijn van hydraulische systemen met biologisch afbreekbare, niet-toxische olie, en bestaande uit: a. geluid- en emissiearme mobiele machines zoals omschreven in de categorie A5000 van de vigerende Milieulijst, en met een geluidsvermogen van ten minste 1dB(A)/1pW lager dan gesteld in de Milieulijst; of
b. vuilniswagens, met een hybride aandrijving, of voldoende aan de luchtemissie-eisen voor emissiearme mobiele machines zoals gesteld in de vigerende Milieulijst en, met in beide gevallen een geluidsvermogen van maximaal 96 dB(A)/1 pW; of
c. kolkenzuigers waarvan de pomp wordt aangedreven door de aftakas, met een hybride aandrijving, of voldoende aan de luchtemissie-eisen voor emissiearme mobiele machines zoals gesteld in de vigerende Milieulijst en, in beide gevallen met een geluidsvermogen van maximaal 98 dB(A) /1 pW; of
d. zelfrijdende straatveegmachines, met een hybride aandrijving, of indien het voertuig een dieselmotor heeft, deze is voorzien van een roetfilter en, met in beide gevallen een geluidsvermogen van maximaal 83+11logP;
a. geluid- en emissiearme mobiele machines zoals omschreven in de categorie A5000 van de vigerende Milieulijst, en met een geluidsvermogen van ten minste 1dB(A)/1pW lager dan gesteld in de Milieulijst; of
b. vuilniswagens, met een hybride aandrijving, of voldoende aan de luchtemissie-eisen voor emissiearme mobiele machines zoals gesteld in de vigerende Milieulijst en, met in beide gevallen een geluidsvermogen van maximaal 96 dB(A)/1 pW; of
c. kolkenzuigers waarvan de pomp wordt aangedreven door de aftakas, met een hybride aandrijving, of voldoende aan de luchtemissie-eisen voor emissiearme mobiele machines zoals gesteld in de vigerende Milieulijst en, in beide gevallen met een geluidsvermogen van maximaal 98 dB(A) /1 pW; of
d. zelfrijdende straatveegmachines, met een hybride aandrijving, of indien het voertuig een dieselmotor heeft, deze is voorzien van een roetfilter en, met in beide gevallen een geluidsvermogen van maximaal 83+11logP;
4°. het realiseren van vulstations voor alternatieve milieuvriendelijke brandstoffen, te weten aardgas, biogas, waterstof en een waterstof/aardgas mengsel, met meer dan 10% waterstof, voor de afgifte aan voertuigen en vaartuigen;
5°. nieuwe binnenvaartschepen die bestemd zijn voor het vervoer van goederen of personen en die voldoen aan de eisen die gesteld zijn in de bijlage 3 van deze regeling.
1°. de realisatie van: a. vrijliggende of verhoogde fietspaden die verhard zijn met asfalt en die woon- of verblijfsgebieden verbinden met werkgebieden of woonkernen met meer dan 50 000 inwoners, of die de bereikbaarheid per fiets van Transferia, P&R terreinen, OV-stations of OV-halteplaatsen, kantoren- of bedrijventerreinen, scholen, medische- en zorginstellingen of toeristische attracties vergroten, of die onderdeel uitmaken van het landelijk fietsroutenetwerk (zoals aangegeven in de Nota Ruimte, Kamerstukken II 2004-2005, 29435, nrs.1-2), of
b. overdekte fietsenstallingen of de aanschaf van fietsen voor niet-commercieel gemeenschappelijk gebruik;
a. vrijliggende of verhoogde fietspaden die verhard zijn met asfalt en die woon- of verblijfsgebieden verbinden met werkgebieden of woonkernen met meer dan 50 000 inwoners, of die de bereikbaarheid per fiets van Transferia, P&R terreinen, OV-stations of OV-halteplaatsen, kantoren- of bedrijventerreinen, scholen, medische- en zorginstellingen of toeristische attracties vergroten, of die onderdeel uitmaken van het landelijk fietsroutenetwerk (zoals aangegeven in de Nota Ruimte, Kamerstukken II 2004-2005, 29435, nrs.1-2), of
b. overdekte fietsenstallingen of de aanschaf van fietsen voor niet-commercieel gemeenschappelijk gebruik;
2°. de aanschaf van: a. niet-railgebonden duurzame voertuigen voor goederenvervoer over de openbare weg en voor openbaar personenvervoer voor meer dan 8 passagiers, die voorzien zijn van een hybride of elektrisch systeem of een brandstofcelsysteem voor aandrijving, of uitsluitend rijden op waterstof of een waterstof/aardgas mengsel (met meer dan 10% waterstof);
b. duurzame vaartuigen voor openbaar personenvervoer voor meer dan 8 personenop binnenwateren, die voorzien zijn van een hybride of elektrisch systeem of een brandstofcelsysteem voor aandrijving of uitsluitend varen op waterstof of een waterstof/aardgas mengsel (met meer dan 10% waterstof);
a. niet-railgebonden duurzame voertuigen voor goederenvervoer over de openbare weg en voor openbaar personenvervoer voor meer dan 8 passagiers, die voorzien zijn van een hybride of elektrisch systeem of een brandstofcelsysteem voor aandrijving, of uitsluitend rijden op waterstof of een waterstof/aardgas mengsel (met meer dan 10% waterstof);
b. duurzame vaartuigen voor openbaar personenvervoer voor meer dan 8 personenop binnenwateren, die voorzien zijn van een hybride of elektrisch systeem of een brandstofcelsysteem voor aandrijving of uitsluitend varen op waterstof of een waterstof/aardgas mengsel (met meer dan 10% waterstof);
3°. investeringen in geluid- en emissiearme mobiele werktuigen die voorzien zijn van hydraulische systemen met biologisch afbreekbare, niet-toxische olie, en bestaande uit: a. geluid- en emissiearme mobiele machines zoals omschreven in de categorie A5000 van de vigerende Milieulijst, en met een geluidsvermogen van ten minste 1dB(A)/1pW lager dan gesteld in de Milieulijst; of
b. vuilniswagens, met een hybride aandrijving, of voldoende aan de luchtemissie-eisen voor emissiearme mobiele machines zoals gesteld in de vigerende Milieulijst en, met in beide gevallen een geluidsvermogen van maximaal 96 dB(A)/1 pW; of
c. kolkenzuigers waarvan de pomp wordt aangedreven door de aftakas, met een hybride aandrijving, of voldoende aan de luchtemissie-eisen voor emissiearme mobiele machines zoals gesteld in de vigerende Milieulijst en, in beide gevallen met een geluidsvermogen van maximaal 98 dB(A) /1 pW; of
d. zelfrijdende straatveegmachines, met een hybride aandrijving, of indien het voertuig een dieselmotor heeft, deze is voorzien van een roetfilter en, met in beide gevallen een geluidsvermogen van maximaal 83+11logP;
a. geluid- en emissiearme mobiele machines zoals omschreven in de categorie A5000 van de vigerende Milieulijst, en met een geluidsvermogen van ten minste 1dB(A)/1pW lager dan gesteld in de Milieulijst; of
b. vuilniswagens, met een hybride aandrijving, of voldoende aan de luchtemissie-eisen voor emissiearme mobiele machines zoals gesteld in de vigerende Milieulijst en, met in beide gevallen een geluidsvermogen van maximaal 96 dB(A)/1 pW; of
c. kolkenzuigers waarvan de pomp wordt aangedreven door de aftakas, met een hybride aandrijving, of voldoende aan de luchtemissie-eisen voor emissiearme mobiele machines zoals gesteld in de vigerende Milieulijst en, in beide gevallen met een geluidsvermogen van maximaal 98 dB(A) /1 pW; of
d. zelfrijdende straatveegmachines, met een hybride aandrijving, of indien het voertuig een dieselmotor heeft, deze is voorzien van een roetfilter en, met in beide gevallen een geluidsvermogen van maximaal 83+11logP;
4°. het realiseren van vulstations voor alternatieve milieuvriendelijke brandstoffen, te weten aardgas, biogas, waterstof en een waterstof/aardgas mengsel, met meer dan 10% waterstof, voor de afgifte aan voertuigen en vaartuigen;
5°. nieuwe binnenvaartschepen die bestemd zijn voor het vervoer van goederen of personen en die voldoen aan de eisen die gesteld zijn in de bijlage 3 van deze regeling.
j. projecten in de categorie duurzame waterketens: 1°. die gericht zijn op het: a. gescheiden afvoeren en infiltreren, met uitzondering van diepte-infiltratie, van regenwater, gevallen op verharde oppervlakken binnen de bebouwde kom;
b. gescheiden afvoeren en opslaan voor gebruik als proceswater, met uitzondering van gebruik in de land- en tuinbouw, van regenwater, gevallen op verharde oppervlakken;
c. gescheiden afvoeren voor lozing op oppervlaktewater van regenwater, gevallen op verharde oppervlakken binnen de bebouwde kom;
a. gescheiden afvoeren en infiltreren, met uitzondering van diepte-infiltratie, van regenwater, gevallen op verharde oppervlakken binnen de bebouwde kom;
b. gescheiden afvoeren en opslaan voor gebruik als proceswater, met uitzondering van gebruik in de land- en tuinbouw, van regenwater, gevallen op verharde oppervlakken;
c. gescheiden afvoeren voor lozing op oppervlaktewater van regenwater, gevallen op verharde oppervlakken binnen de bebouwde kom;
2°. die zijn gericht op waterbehandeling op innovatieve en duurzame wijze en bestemd voor: a. de bereiding van drinkwater uitgaande van afvalwaterstromen;
b. de bereiding van drinkwater;
c. de behandeling van afvalwater ter realisatie van een gesloten watersysteem binnen de inrichting, met uitzondering van de gangbare technieken voor voedingswater in de tuinbouw ter vervanging van niet gesloten systemen;
d. de behandeling van afvalwater gericht op het terugwinnen en hergebruik van de in het afvalwater aanwezige stoffen, ter vervanging van een bestaand systeem dat werkt zonder een dergelijke terugwinning en hergebruik;
e. de behandeling van afvalwater, dan wel bereiding van drinkwater waarbij een reductie van ten minste 50% in het energiegebruik wordt gerealiseerd ten opzichte van de bestaande of te vervangen installatie, bij gelijkblijvende of verbeterde zuiveringsresultaten;
f. de behandeling van afvalwater verontreinigd met prioritaire stoffen waarbij een reductie van ten minste 50% van de effluentwaarde van deze stoffen wordt gerealiseerd ten opzichte van de effluentwaarde van deze stoffen van de bestaande of te vervangen installatie.
a. de bereiding van drinkwater uitgaande van afvalwaterstromen;
b. de bereiding van drinkwater;
c. de behandeling van afvalwater ter realisatie van een gesloten watersysteem binnen de inrichting, met uitzondering van de gangbare technieken voor voedingswater in de tuinbouw ter vervanging van niet gesloten systemen;
d. de behandeling van afvalwater gericht op het terugwinnen en hergebruik van de in het afvalwater aanwezige stoffen, ter vervanging van een bestaand systeem dat werkt zonder een dergelijke terugwinning en hergebruik;
e. de behandeling van afvalwater, dan wel bereiding van drinkwater waarbij een reductie van ten minste 50% in het energiegebruik wordt gerealiseerd ten opzichte van de bestaande of te vervangen installatie, bij gelijkblijvende of verbeterde zuiveringsresultaten;
f. de behandeling van afvalwater verontreinigd met prioritaire stoffen waarbij een reductie van ten minste 50% van de effluentwaarde van deze stoffen wordt gerealiseerd ten opzichte van de effluentwaarde van deze stoffen van de bestaande of te vervangen installatie.
1°. die gericht zijn op het: a. gescheiden afvoeren en infiltreren, met uitzondering van diepte-infiltratie, van regenwater, gevallen op verharde oppervlakken binnen de bebouwde kom;
b. gescheiden afvoeren en opslaan voor gebruik als proceswater, met uitzondering van gebruik in de land- en tuinbouw, van regenwater, gevallen op verharde oppervlakken;
c. gescheiden afvoeren voor lozing op oppervlaktewater van regenwater, gevallen op verharde oppervlakken binnen de bebouwde kom;
a. gescheiden afvoeren en infiltreren, met uitzondering van diepte-infiltratie, van regenwater, gevallen op verharde oppervlakken binnen de bebouwde kom;
b. gescheiden afvoeren en opslaan voor gebruik als proceswater, met uitzondering van gebruik in de land- en tuinbouw, van regenwater, gevallen op verharde oppervlakken;
c. gescheiden afvoeren voor lozing op oppervlaktewater van regenwater, gevallen op verharde oppervlakken binnen de bebouwde kom;
2°. die zijn gericht op waterbehandeling op innovatieve en duurzame wijze en bestemd voor: a. de bereiding van drinkwater uitgaande van afvalwaterstromen;
b. de bereiding van drinkwater;
c. de behandeling van afvalwater ter realisatie van een gesloten watersysteem binnen de inrichting, met uitzondering van de gangbare technieken voor voedingswater in de tuinbouw ter vervanging van niet gesloten systemen;
d. de behandeling van afvalwater gericht op het terugwinnen en hergebruik van de in het afvalwater aanwezige stoffen, ter vervanging van een bestaand systeem dat werkt zonder een dergelijke terugwinning en hergebruik;
e. de behandeling van afvalwater, dan wel bereiding van drinkwater waarbij een reductie van ten minste 50% in het energiegebruik wordt gerealiseerd ten opzichte van de bestaande of te vervangen installatie, bij gelijkblijvende of verbeterde zuiveringsresultaten;
f. de behandeling van afvalwater verontreinigd met prioritaire stoffen waarbij een reductie van ten minste 50% van de effluentwaarde van deze stoffen wordt gerealiseerd ten opzichte van de effluentwaarde van deze stoffen van de bestaande of te vervangen installatie.
a. de bereiding van drinkwater uitgaande van afvalwaterstromen;
b. de bereiding van drinkwater;
c. de behandeling van afvalwater ter realisatie van een gesloten watersysteem binnen de inrichting, met uitzondering van de gangbare technieken voor voedingswater in de tuinbouw ter vervanging van niet gesloten systemen;
d. de behandeling van afvalwater gericht op het terugwinnen en hergebruik van de in het afvalwater aanwezige stoffen, ter vervanging van een bestaand systeem dat werkt zonder een dergelijke terugwinning en hergebruik;
e. de behandeling van afvalwater, dan wel bereiding van drinkwater waarbij een reductie van ten minste 50% in het energiegebruik wordt gerealiseerd ten opzichte van de bestaande of te vervangen installatie, bij gelijkblijvende of verbeterde zuiveringsresultaten;
f. de behandeling van afvalwater verontreinigd met prioritaire stoffen waarbij een reductie van ten minste 50% van de effluentwaarde van deze stoffen wordt gerealiseerd ten opzichte van de effluentwaarde van deze stoffen van de bestaande of te vervangen installatie.
k. andere innovatieve en hoogwaardige projecten die naar zijn oordeel in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos.