BWBR0027301
Geldig vanaf 2010-02-27
Artikel 4
Besluit mandaat, volmacht en machtiging Dienst Publiek en Communicatie 2009
1. De manager taakgebied wordt volmacht en machtiging verstrekt tot het verrichten van handelingen die betrekking hebben op de projectuitgaven of de materiële begroting binnen de DPC voor zover dit per geval de vijftigduizend euro niet te boven gaat.
2. De aan de manager taakgebied verleende bevoegdheden in lid 1 wordt verleend aan de plaatsvervangend manager van het betreffende taakgebied. De plaatsvervangend manager maakt van de in lid 1 genoemde bevoegdheden uitsluitend gebruik bij afwezigheid van de manager taakgebied.
3. Een functionaris zoals bedoeld in het eerste en tweede lid maakt van de aan hem verleende volmacht en machtiging uitsluitend gebruik voor zover het aangelegenheden betreft die behoren tot zijn werkterrein en naar aard of inhoud niet een zodanig gewicht hebben dat deze behoren te worden afgedaan door de (plaatsvervangend) directeur.
4. De aan de directeur krachtens de artikelen 7en 9 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Algemene Zaken 2009verleende bevoegdheid tot het nemen van beslissingen op het gebied van het personeelsbeleid, waaronder begrepen aanstelling, schorsing en beloningen worden verleend aan de in het eerste lid genoemde manager taakgebied, voor de onder deze manager ressorterende functionarissen.
5. De bevoegdheden worden nader bepaald door en uitgeoefend met inachtneming van:
a. departementale procedures, richtlijnen en aanwijzingen;
b. nadere procedures en instructies van de directeur.
2. De aan de manager taakgebied verleende bevoegdheden in lid 1 wordt verleend aan de plaatsvervangend manager van het betreffende taakgebied. De plaatsvervangend manager maakt van de in lid 1 genoemde bevoegdheden uitsluitend gebruik bij afwezigheid van de manager taakgebied.
3. Een functionaris zoals bedoeld in het eerste en tweede lid maakt van de aan hem verleende volmacht en machtiging uitsluitend gebruik voor zover het aangelegenheden betreft die behoren tot zijn werkterrein en naar aard of inhoud niet een zodanig gewicht hebben dat deze behoren te worden afgedaan door de (plaatsvervangend) directeur.
4. De aan de directeur krachtens de artikelen 7en 9 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Algemene Zaken 2009verleende bevoegdheid tot het nemen van beslissingen op het gebied van het personeelsbeleid, waaronder begrepen aanstelling, schorsing en beloningen worden verleend aan de in het eerste lid genoemde manager taakgebied, voor de onder deze manager ressorterende functionarissen.
5. De bevoegdheden worden nader bepaald door en uitgeoefend met inachtneming van:
a. departementale procedures, richtlijnen en aanwijzingen;
b. nadere procedures en instructies van de directeur.