BWBR0027296
Geldig vanaf 2010-02-27
Artikel 9
Besluit mandaat, volmacht en machtiging Algemene Zaken 2009
1. Op grond van het krachtens artikel 7verleende mandaat, neemt een diensthoofd eerst een besluit na daartoe verkregen instemming van:
a. het hoofd van de Centrale Afdeling Personeel en Organisatie ten aanzien van de volgende aangelegenheden: 1°. aangelegenheden waarbij wordt afgeweken van de hoofdlijnen van het vastgestelde personeelsbeleid voor het ministerie;
2°. het verlenen van buitengewoon verlof voor langere duur en bijzonder verlof;
3°. het nemen van disciplinaire maatregelen en het opleggen van een schorsing (hoofdstuk VIII en de artikelen 90, 91 en 92 van het ARAR);
4°. het verlenen van ontslag op grond van de artikelen 96, 98 en 99 van het ARAR.
1°. aangelegenheden waarbij wordt afgeweken van de hoofdlijnen van het vastgestelde personeelsbeleid voor het ministerie;
2°. het verlenen van buitengewoon verlof voor langere duur en bijzonder verlof;
3°. het nemen van disciplinaire maatregelen en het opleggen van een schorsing (hoofdstuk VIII en de artikelen 90, 91 en 92 van het ARAR);
4°. het verlenen van ontslag op grond van de artikelen 96, 98 en 99 van het ARAR.
b. de directeur van de Centrale Afdeling Financieel-Economische Zaken ten aanzien van verplichtingen en bestedingen welke deze expliciet in het kader van de door deze afdeling uit te oefenen toezichthoudende taak voor voorafgaand toezicht heeft aangemerkt.
2. Bij de uitoefening van het aan hem verleende mandaat neemt een diensthoofd tevens de departementale procedures, richtlijnen en aanwijzingen in acht.
a. het hoofd van de Centrale Afdeling Personeel en Organisatie ten aanzien van de volgende aangelegenheden: 1°. aangelegenheden waarbij wordt afgeweken van de hoofdlijnen van het vastgestelde personeelsbeleid voor het ministerie;
2°. het verlenen van buitengewoon verlof voor langere duur en bijzonder verlof;
3°. het nemen van disciplinaire maatregelen en het opleggen van een schorsing (hoofdstuk VIII en de artikelen 90, 91 en 92 van het ARAR);
4°. het verlenen van ontslag op grond van de artikelen 96, 98 en 99 van het ARAR.
1°. aangelegenheden waarbij wordt afgeweken van de hoofdlijnen van het vastgestelde personeelsbeleid voor het ministerie;
2°. het verlenen van buitengewoon verlof voor langere duur en bijzonder verlof;
3°. het nemen van disciplinaire maatregelen en het opleggen van een schorsing (hoofdstuk VIII en de artikelen 90, 91 en 92 van het ARAR);
4°. het verlenen van ontslag op grond van de artikelen 96, 98 en 99 van het ARAR.
b. de directeur van de Centrale Afdeling Financieel-Economische Zaken ten aanzien van verplichtingen en bestedingen welke deze expliciet in het kader van de door deze afdeling uit te oefenen toezichthoudende taak voor voorafgaand toezicht heeft aangemerkt.
2. Bij de uitoefening van het aan hem verleende mandaat neemt een diensthoofd tevens de departementale procedures, richtlijnen en aanwijzingen in acht.