BWBR0026983
Geldig vanaf 2014-08-01
Artikel 5.5
Subsidieregeling internationaal excelleren
De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien
a. en voor zover de totale subsidie, krachtens deze paragraaf aan de subsidie-ontvanger verstrekt, meer bedraagt dan € 875.000 per land;
b. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de subsidie-ontvanger niet bevredigend zijn;
c. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de nieuwe activiteiten van de subsidie-ontvanger in het betrokken land niet bevredigend zijn;
d. in de voorafgaande periode van twaalf maanden meer middelen aan de ondernemer onttrokken zijn dan een redelijk te achten bedrijfsvoering meebrengt dan wel een verplichting tot een zodanige onttrekking is aangegaan;
e. de financiering, bedoeld in artikel 5.3, onderdeel a, niet geheel wordt verstrekt in geld;
f. de financiering kan leiden tot de gehele of gedeeltelijke afwenteling van bestaande risico’s op de Staat;
g. de activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed of andere activa zonder dat er sprake is van significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten;
h. de subsidie-ontvanger het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent of een participatiemaatschappij heeft;
i. onvoldoende aannemelijk is dat de subsidie zal bijdragen aan expansie van de in Nederland gevestigde ondernemingen van de subsidie-ontvanger;
j. indien de subsidie-ontvanger een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert zoals bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening;
k. de subsidie-ontvanger handelt in strijd met de door de OESO vastgestelde Richtlijnen voor multinationale ondernemingen ten aanzien van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen of de door de Internationale Arbeidsorganisatie vastgestelde Verklaring Fundamentele Beginselen en rechten op het Werk;
l. in verband met de nieuwe activiteiten sprake is van het gebruik van kinder- of dwangarbeid door de subsidie-ontvanger, in de onderneming waarin de nieuwe activiteiten worden verricht of in enige onderneming van de ondernemer of de eerste wezenlijke toeleverancier voor de nieuwe activiteiten;
m. onvoldoende vertrouwen bestaat in de wijze waarop systematisch wordt gecontroleerd en geborgd dat in verband met de nieuwe activiteiten geen gebruik wordt gemaakt van kinder- of dwangarbeid door een subsidie-ontvanger, de onderneming waarin de nieuwe activiteiten worden verricht of in enige onderneming van de ondernemer of de eerste wezenlijke toeleverancier voor de nieuwe activiteiten;
n. de subsidie-ontvanger ook een financiering heeft met een garantie krachtens hoofdstuk 3, titel 3.12 (Groeifaciliteit) van de Regeling nationale EZ subsidies, indien het risicoprofiel van deze garantie toeneemt door verstrekking van de aangevraagde subsidie.
a. en voor zover de totale subsidie, krachtens deze paragraaf aan de subsidie-ontvanger verstrekt, meer bedraagt dan € 875.000 per land;
b. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de subsidie-ontvanger niet bevredigend zijn;
c. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de nieuwe activiteiten van de subsidie-ontvanger in het betrokken land niet bevredigend zijn;
d. in de voorafgaande periode van twaalf maanden meer middelen aan de ondernemer onttrokken zijn dan een redelijk te achten bedrijfsvoering meebrengt dan wel een verplichting tot een zodanige onttrekking is aangegaan;
e. de financiering, bedoeld in artikel 5.3, onderdeel a, niet geheel wordt verstrekt in geld;
f. de financiering kan leiden tot de gehele of gedeeltelijke afwenteling van bestaande risico’s op de Staat;
g. de activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed of andere activa zonder dat er sprake is van significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten;
h. de subsidie-ontvanger het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent of een participatiemaatschappij heeft;
i. onvoldoende aannemelijk is dat de subsidie zal bijdragen aan expansie van de in Nederland gevestigde ondernemingen van de subsidie-ontvanger;
j. indien de subsidie-ontvanger een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert zoals bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening;
k. de subsidie-ontvanger handelt in strijd met de door de OESO vastgestelde Richtlijnen voor multinationale ondernemingen ten aanzien van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen of de door de Internationale Arbeidsorganisatie vastgestelde Verklaring Fundamentele Beginselen en rechten op het Werk;
l. in verband met de nieuwe activiteiten sprake is van het gebruik van kinder- of dwangarbeid door de subsidie-ontvanger, in de onderneming waarin de nieuwe activiteiten worden verricht of in enige onderneming van de ondernemer of de eerste wezenlijke toeleverancier voor de nieuwe activiteiten;
m. onvoldoende vertrouwen bestaat in de wijze waarop systematisch wordt gecontroleerd en geborgd dat in verband met de nieuwe activiteiten geen gebruik wordt gemaakt van kinder- of dwangarbeid door een subsidie-ontvanger, de onderneming waarin de nieuwe activiteiten worden verricht of in enige onderneming van de ondernemer of de eerste wezenlijke toeleverancier voor de nieuwe activiteiten;
n. de subsidie-ontvanger ook een financiering heeft met een garantie krachtens hoofdstuk 3, titel 3.12 (Groeifaciliteit) van de Regeling nationale EZ subsidies, indien het risicoprofiel van deze garantie toeneemt door verstrekking van de aangevraagde subsidie.