BWBR0026983
Geldig vanaf 2014-08-01
Artikel 2.9
Subsidieregeling internationaal excelleren
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
a. subsidieverstrekking niet is toegestaan onder toepassing van de tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatsteun, de algemene groepsvrijstellingsverordening of de verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379);
b. onvoldoende vertrouwen bestaat in de politieke haalbaarheid van de activiteiten in het doelland;
c. er onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn;
d. indien de activiteiten in strijd zijn met de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling vastgestelde Richtlijnen voor multinationale ondernemingen ten aanzien van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen of met de door de Internationale Arbeidsorganisatie vastgestelde Verklaring Fundamentele Beginselen en Rechten op het Werk;
e. bij een investeringsproject in een DAC-land sprake is van het gebruik van kinder- of dwangarbeid door een subsidie-ontvanger, de onderneming waar het project wordt uitgevoerd of de eerste wezenlijke toeleverancier;
f. onvoldoende vertrouwen bestaat in de wijze waarop systematisch wordt gecontroleerd en geborgd dat in het kader van de uitvoering van een investeringsproject in een DAC-land geen gebruik wordt gemaakt van kinder- of dwangarbeid door een subsidie-ontvanger, de onderneming waar het project wordt uitgevoerd of de eerste wezenlijke toeleverancier;
g. er bij de posten in het doelland, in de betreffende sector in het doelland of door een of meer deelnemers in het samenwerkingsverband te veel internationaliseringsstrategieën worden uitgevoerd, waardoor er onvoldoende capaciteit is om de activiteiten uit te voeren;
h. de internationaliseringsstrategie niet ziet op de verwezenlijking van ten minste twee van de volgende doelen: 1°. starten van commerciële activiteiten op een voor het samenwerkingsverband nieuwe markt;
2°. substantieel vergroten van het bestaande marktaandeel op een markt;
3°. aantrekken van kenniswerkers en hoogwaardige investeringen vanuit die markt ten behoeve van het samenwerkingsverband;
4°. starten of intensiveren van een samenwerking tussen deelnemers in het samenwerkingsverband en lokale partijen op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en productie;
1°. starten van commerciële activiteiten op een voor het samenwerkingsverband nieuwe markt;
2°. substantieel vergroten van het bestaande marktaandeel op een markt;
3°. aantrekken van kenniswerkers en hoogwaardige investeringen vanuit die markt ten behoeve van het samenwerkingsverband;
4°. starten of intensiveren van een samenwerking tussen deelnemers in het samenwerkingsverband en lokale partijen op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en productie;
i. het samenwerkingsverband onvoldoende onderscheidend is in de betreffende sector of nichemarkt.
a. subsidieverstrekking niet is toegestaan onder toepassing van de tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatsteun, de algemene groepsvrijstellingsverordening of de verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379);
b. onvoldoende vertrouwen bestaat in de politieke haalbaarheid van de activiteiten in het doelland;
c. er onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn;
d. indien de activiteiten in strijd zijn met de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling vastgestelde Richtlijnen voor multinationale ondernemingen ten aanzien van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen of met de door de Internationale Arbeidsorganisatie vastgestelde Verklaring Fundamentele Beginselen en Rechten op het Werk;
e. bij een investeringsproject in een DAC-land sprake is van het gebruik van kinder- of dwangarbeid door een subsidie-ontvanger, de onderneming waar het project wordt uitgevoerd of de eerste wezenlijke toeleverancier;
f. onvoldoende vertrouwen bestaat in de wijze waarop systematisch wordt gecontroleerd en geborgd dat in het kader van de uitvoering van een investeringsproject in een DAC-land geen gebruik wordt gemaakt van kinder- of dwangarbeid door een subsidie-ontvanger, de onderneming waar het project wordt uitgevoerd of de eerste wezenlijke toeleverancier;
g. er bij de posten in het doelland, in de betreffende sector in het doelland of door een of meer deelnemers in het samenwerkingsverband te veel internationaliseringsstrategieën worden uitgevoerd, waardoor er onvoldoende capaciteit is om de activiteiten uit te voeren;
h. de internationaliseringsstrategie niet ziet op de verwezenlijking van ten minste twee van de volgende doelen: 1°. starten van commerciële activiteiten op een voor het samenwerkingsverband nieuwe markt;
2°. substantieel vergroten van het bestaande marktaandeel op een markt;
3°. aantrekken van kenniswerkers en hoogwaardige investeringen vanuit die markt ten behoeve van het samenwerkingsverband;
4°. starten of intensiveren van een samenwerking tussen deelnemers in het samenwerkingsverband en lokale partijen op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en productie;
1°. starten van commerciële activiteiten op een voor het samenwerkingsverband nieuwe markt;
2°. substantieel vergroten van het bestaande marktaandeel op een markt;
3°. aantrekken van kenniswerkers en hoogwaardige investeringen vanuit die markt ten behoeve van het samenwerkingsverband;
4°. starten of intensiveren van een samenwerking tussen deelnemers in het samenwerkingsverband en lokale partijen op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en productie;
i. het samenwerkingsverband onvoldoende onderscheidend is in de betreffende sector of nichemarkt.