BWBR0026983
Geldig vanaf 2014-08-01
Artikel 2.12a
Subsidieregeling internationaal excelleren
1. Een subsidie-ontvanger maakt bij de uitvoering van een investeringsproject in een DAC-land geen gebruik van kinder- of dwangarbeid.
2. De subsidie-ontvanger zorgt ervoor dat noch de eerste wezenlijke toeleverancier noch de onderneming waar het project wordt uitgevoerd bij de uitvoering van een investeringsproject in een DAC-land gebruik maken van kinder- of dwangarbeid.
3. De subsidie-ontvanger meldt aanwijzingen die hij heeft of redelijkerwijs behoort te hebben voor het gebruik van kinder- of dwangarbeid in de onderneming waar het project wordt uitgevoerd of in een onderneming van de eerste wezenlijke toeleverancier zo spoedig mogelijk aan de Minister.
4. Na afloop van het project zorgt de subsidie-ontvanger ervoor dat de onderneming waar het kapitaalgoed in productie is en de eerste wezenlijke toeleverancier geen gebruik zullen maken van kinder- of dwangarbeid.
5. De verplichting, bedoeld in het vierde lid, geldt gedurende 2 jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
2. De subsidie-ontvanger zorgt ervoor dat noch de eerste wezenlijke toeleverancier noch de onderneming waar het project wordt uitgevoerd bij de uitvoering van een investeringsproject in een DAC-land gebruik maken van kinder- of dwangarbeid.
3. De subsidie-ontvanger meldt aanwijzingen die hij heeft of redelijkerwijs behoort te hebben voor het gebruik van kinder- of dwangarbeid in de onderneming waar het project wordt uitgevoerd of in een onderneming van de eerste wezenlijke toeleverancier zo spoedig mogelijk aan de Minister.
4. Na afloop van het project zorgt de subsidie-ontvanger ervoor dat de onderneming waar het kapitaalgoed in productie is en de eerste wezenlijke toeleverancier geen gebruik zullen maken van kinder- of dwangarbeid.
5. De verplichting, bedoeld in het vierde lid, geldt gedurende 2 jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.