BWBR0026966
Geldig vanaf 2010-01-01
Artikel 2
Besluit registratie kinderopvang
1. Indien een kindercentrum een vestiging is van een onderneming die is ingeschreven in het handelsregister, verstrekt degene die voornemens is een kindercentrum in exploitatie te nemen, bij een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, van de wetaan het college de volgende gegevens:
a. het door de Kamer van Koophandel aan de onderneming en aan de betreffende vestiging toegekende unieke nummer, bedoeld in artikel 11 van de Handelsregisterwet of, bij het ontbreken van het nummer van de vestiging, de naam en het post- en bezoekadres er van;
b. het aantal kindplaatsen per soort kinderopvang; en
c. het voorgenomen aanvangstijdstip van exploitatie.
2. Indien een kindercentrum geen vestiging is van een onderneming die is ingeschreven in het handelsregister, verstrekt degene die voornemens is een kindercentrum in exploitatie te nemen, bij een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, van de wetaan het college de volgende gegevens:
a. indien de houder een natuurlijke persoon is: het burgerservicenummer van de houder alsmede een voldoende recente kopie van de Verklaring omtrent het gedrag van de houder en de naam van het kindercentrum en, indien het betreffende kindercentrum op een ander adres is gevestigd dan de houder, tevens het post- en bezoekadres van het kindercentrum;
b. indien de houder een rechtspersoon is: het door de Kamer van Koophandel aan de rechtspersoon en aan de betreffende vestiging toegekende unieke nummer, bedoeld in artikel 12 van de Handelsregisterwet of, bij het ontbreken daarvan, de naam en statutaire zetel van de rechtspersoon en de naam en het post- en bezoekadres van de vestiging;
c. het aantal kindplaatsen per soort kinderopvang; en
d. het voorgenomen aanvangstijdstip van exploitatie.
3. Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, van de wetdoor degene die voornemens is een gastouderbureau in exploitatie te nemen, zijn het eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, en het tweede lid, met uitzondering van onderdeel c, van overeenkomstige toepassing.
4. Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, van de wetstelt het college de identiteit vast van de natuurlijke persoon of de namens een rechtspersoon handelingsbevoegde persoon die houder is van het kindercentrum of gastouderbureau.
a. het door de Kamer van Koophandel aan de onderneming en aan de betreffende vestiging toegekende unieke nummer, bedoeld in artikel 11 van de Handelsregisterwet of, bij het ontbreken van het nummer van de vestiging, de naam en het post- en bezoekadres er van;
b. het aantal kindplaatsen per soort kinderopvang; en
c. het voorgenomen aanvangstijdstip van exploitatie.
2. Indien een kindercentrum geen vestiging is van een onderneming die is ingeschreven in het handelsregister, verstrekt degene die voornemens is een kindercentrum in exploitatie te nemen, bij een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, van de wetaan het college de volgende gegevens:
a. indien de houder een natuurlijke persoon is: het burgerservicenummer van de houder alsmede een voldoende recente kopie van de Verklaring omtrent het gedrag van de houder en de naam van het kindercentrum en, indien het betreffende kindercentrum op een ander adres is gevestigd dan de houder, tevens het post- en bezoekadres van het kindercentrum;
b. indien de houder een rechtspersoon is: het door de Kamer van Koophandel aan de rechtspersoon en aan de betreffende vestiging toegekende unieke nummer, bedoeld in artikel 12 van de Handelsregisterwet of, bij het ontbreken daarvan, de naam en statutaire zetel van de rechtspersoon en de naam en het post- en bezoekadres van de vestiging;
c. het aantal kindplaatsen per soort kinderopvang; en
d. het voorgenomen aanvangstijdstip van exploitatie.
3. Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, van de wetdoor degene die voornemens is een gastouderbureau in exploitatie te nemen, zijn het eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, en het tweede lid, met uitzondering van onderdeel c, van overeenkomstige toepassing.
4. Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste lid, van de wetstelt het college de identiteit vast van de natuurlijke persoon of de namens een rechtspersoon handelingsbevoegde persoon die houder is van het kindercentrum of gastouderbureau.